"Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil." - Albert Schweitzer (1875 - 1965)

Beleid en regelgeving visserij

Beroepsvisserij

Het Gemeenschappelijke Visserij Beleid (GVB) van de Europese Unie stelt de kaders voor het Nederlandse zeevisserijbeleid. De eerste gemeenschappelijke maatregelen in de zeevisserijsector dateren uit 1970, waarbij werd overeengekomen dat alle vissers uit de EU in principe gelijke toegang zouden hebben tot de wateren van alle lidstaten. In 1976 besloten de EU landen - in navolging op andere landen - hun rechten op de natuurlijke hulpbronnen van de zee van 12 tot 200 zeemijl uit de kust uit te breiden. De lidstaten besloten toen ook het beheer van de visserij in hun wateren aan de EU toe te vertrouwen. Na jaren van onderhandelingen kwam in 1983 de eerste versie van het huidige GVB tot stand. In 1992 en 2002, werd dat beleid grondig hervormd. Het huidige GVB werd meer gericht op een ecologisch, economisch en sociaal duurzame ontwikkeling van de visserij. Bovendien werd de basis onder de besluitvorming verbreed door ook vissers, wetenschappers en natuurbeschermers bij het proces te betrekken. Daarnaast kwam er meer aandacht voor de samenhang met ander Europees beleid op gebieden als milieu en ontwikkelingssamenwerking.

 In de Europese politieke discussie over het visserijbeleid staan op dit moment centraal:

  1. het beperken van ongewenste bijvangsten en het teruggooien in zee van commercieel niet interessante vis (discards genoemd)
  2. het beperken van negatieve ecologische (bodem)effecten
  3. het bestrijden van illegale, ongerapporteerde en ongereguleerde visserij (vispiraterij).

Een van de belangrijkste doelstellingen van het GVB is te voorkomen dat er teveel vis wordt gevangen. Daartoe worden afspraken gemaakt over:

  • Het beheer van de visbestanden: het vaststellen van maximale vangsthoeveelheden (quota) voor veel vissoorten en diverse technische maatregelen zoals regels voor visnetten om ongewenste bijvangsten te beperken;
  • Het beheer van de visserij inspanning: een zeedagenregime dat voor een visserschip het aantal dagen op zee beperkt;
  • Het beheer van vangstcapaciteit van de vissersvloot: een limiet aan het motorvermogen en bruto tonnage (de scheepsinhoud) van een vissersvloot;
  • Een langere termijnaanpak van het visserijbeheer: meerjarige herstelplannen voor visbestanden die zich niet binnen veilige biologische grenzen bevinden en meerjarige beheerplannen voor andere bestanden om ze op een biologisch veilig niveau te houden.

Nederland is als lidstaat betrokken bij de besluitvorming in Brussel. Besluiten van de Europese Raad van Landbouw en Visserijministers worden vastgelegd in verordeningen die direct van toepassing zijn op Nederland. Uitgangspunt is dat alle visserijactiviteiten verboden zijn - tenzij uitdrukkelijk toegestaan door middel van vergunningen of ontheffingen - hetzij individueel of door middel van een algemene ontheffing in de wet.
In Nederland valt de visserijwetgeving onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Economische Zaken. De Visserijwet 1963 is de overkoepelende wet voor alle visserijactiviteiten (zee-, kust- en binnenvisserij). Voor de zeevisserij en kustvisserij gelden slechts enkele bepalingen, omdat het merendeel van de regels daarvoor vanuit de EU komt. Voor de binnenvisserij kent de wet diverse bepaliingen. Deze hebben betrekking op visakten, maatregelen in het belang van de visstand, vergunningen voor het vissen en de huur en verhuur van het visrecht. De wet bevat verder enkele bepalingen die tot doel hebben de visstand op zich te beschermen. Vissoorten die in de wet zijn genoemd worden beschermd door het instellen van minimummaten, meeneemverboden en gesloten tijden. In het algemeen zijn dit inheemse vissoorten die van belang zijn voor de visserij en niet onder de Flora- en Faunawet vallen. De visserij heeft verder te maken met de Natuurbeschermingswet (1998) die er op is gericht om terreinen en wateren met bijzondere natuur- en landschapswaarden te beschermen en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (1992).

De Europese Unie heeft overeenkomsten gesloten met landen buiten de EU waardoor vissers uit de EU ook kunnen vissen in wateren buiten de EU. Ongeveer 8% van de EU-vangst komt uit de wateren van landen waarmee de EU een visserijakkoord heeft gesloten. Er zijn 2 soorten overeenkomsten:

  1. Partnerschapsovereenkomsten: Op grond hiervan kan de Europese vloot vissen op vis in de wateren van ontwikkelingslanden. De EU betaalt hier toegangsrechten voor. Ook helpt de EU deze ontwikkelingslanden om de lokale visserijsector duurzamer te maken.
  2. Noordelijke overeenkomsten: De EU-visserij in de Noordzee en de Noordoostelijke Atlantische Oceaan is nauw verweven met die van Noorwegen, IJsland en de Faeröereilanden. Daarom beheren deze landen een groot deel van de visbestanden gezamenlijk en wisselen zij visquota uit.

Viskweek

Op de viskwekerijen is de Wet dieren van toepassing. In deze wet is o.a. bepaald dat om welzijnsredenen in Nederland niet alle vissoorten gehouden mogen worden voor productiedoeleinden. Welke soorten toegestaan zijn en welke procedures voor nieuw toe te laten soorten gelden, staat beschreven in het Besluit houders van dieren. Daarnaast is er de Regeling Aquacultuur. Deze regeling dient ter implementatie van de Europese Richtlijn 2006/88/EG betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor het houden van aquacultuurdieren, de producten daarvan en de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren. Deze richtlijn heeft o.a. een vergunningsplicht in het leven geroepen voor aquacultuurproductiebedrijven en aquacultuurverwerkingsbedrijven die aquacultuurdieren verwerken met het oog op ziektebestrijding. Ook zijn in de richtlijn eisen aan die vergunningplichtige bedrijven opgenomen. Voor zogenoemde put and take-visbedrijven is deze vergunning niet nodig. Dat zijn vijvers waarin forellen of andere vissoorten worden uitgezet voor de recreatievisserij. Deze bedrijven moeten zich wel laten registreren. De Regeling Aquacultuur geeft ook regels voor de handel in aquacultuurdieren en –producten en het importeren van deze dieren en producten ervan uit EU-landen.