"Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil." - Albert Schweitzer (1875 - 1965)

Beleid en regelgeving voor onderzoek met proefdieren

Europese richtlijn dierproeven

De Europese Commissie is van mening dat het nog niet mogelijk is om te stoppen met dierproeven voor veiligheidstesten en biomedisch onderzoek.
Op 8 september 2010 heeft de Commissie de nieuwe Europese Wet op de dierproeven gepubliceerd, richtijn 2010/63/EU. Deze richtlijn heeft Nederland geïmplementeerd in de Wet op de dierproeven. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige richtlijn uit 1986 zijn:

  • het vereiste van een ethische toets voordat toestemming wordt gegeven voor een dierproef
  • regels ter verbetering van de leefomstandigheden en verzorging van proefdieren
  • beleid gericht op vervanging, vermindering en verfijning
  • er komt een Europees laboratorium waar initiatieven op het gebied van de 3 V's worden gecoördineerd en gestimuleerd 
  • proeven met mensapen zijn verboden, andere apen mogen alleen worden gebruikt voor onderzoek naar levensbedreigende ziekten

Beleid in Nederland

De Nederlandse overheid is van mening dat dierproeven vaak nodig zijn om de werkzaamheid en veiligheid van medicijnen, stoffen en voeding te testen. Dierproeven worden daarom vaak door de overheid verplicht gesteld. Ongeveer 20% van alle dierproeven in Nederland is verplicht voordat een product op de markt mag komen. Dit geldt bijvoorbeeld bij nieuwe medicijnen.

Wet op de dierproeven

De Wet op de dierproeven die in 1977 in werking trad stelt regels voor het gebruik van proefdieren in Nederland. De wet stelt dat het verboden is om dierproeven te verrichten zonder vergunning van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Een vergunning wordt alleen verleend als dierproeven zijn gericht op het belang van de gezondheid of de voeding van mens of dier. In de Wet op de dierproeven en in het Dierproevenbesluit 2014 staan nog andere eisen/voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij het verrichten van dierproeven:

  1. Wie de dierproef uitvoert, moet kunnen bewijzen dat hij deskundig is en zo’n proef goed kan doen.
  2. Wie de vergunning heeft gekregen moet een zogenoemde proefdierdeskundige aanstellen, ofwel de artikel 14-functionaris, die erop let of de dieren goed worden verzorgd en niet onnodig pijn lijden.
  3. De vergunninghouder moet voldoen aan de voorwaarden die worden opgelegd wat betreft de inrichting van de onderzoeksruimten, verblijfruimten van de dieren en de verzorging van de dieren.
  4. Voordat de dierproef wordt uitgevoerd, moet degene die de proef wil doen aan een dierexperimentencommissie (DEC) laten zien dat die proef ethisch verantwoord is. De commissie beoordeelt of het lijden van de proefdieren opweegt tegen het doel van de proef.
  5. Als er een goed alternatief is voor een dierproef, is het verboden nog langer de dierproef uit te voeren.
  6. Er mogen niet zomaar wilde dieren of huisdieren voor proeven gebruikt worden, alleen speciaal gefokte proefdieren.

De meeste dierproeven worden uitgevoerd door instellingen zoals universiteiten en onderzoekscentra. Hiervoor hebben zij een instellingsvergunning nodig. Instellingen moeten verder een projectvergunning aanvragen voorafgaand aan de dierproef die ze willen gaan verrichten. Deze moet de instelling aanvragen bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). De CCD is benoemd door het Ministerie van Economische Zaken en dient onafhankelijk en onpartijdig te handelen. De CCD vraagt advies bij de Dierexperimentencommissie (DEC) om een aanvraag voor een dierproef goed te kunnen beoordelen. Bij de beoordeling wordt o.a. gekeken of er geen andere onderzoeksmethoden zijn om de wetenschappelijke vraag te beantwoorden en of het nut en de noodzaak van het onderzoek voldoende opwegen tegen het ongerief voor het dier. De precieze procedure vind je hier.

In Nederland is ook Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad). Dit comité is opgericht om proefdieren te beschermen die worden ingezet voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. De NCad heeft een adviserende en organiserende functie. De NCad adviseert bijvoorbeeld de Minister/Staatssecretaris, de CCD en de Instanties voor Dierenwelzijn (IvD) over onder andere  de aanschaf, fok, huisvesting en verzorging van proefdieren. Daarnaast richt het NCad zich op advies met betrekking tot het vervangen, verminderen en verfijnen (3V's) van dierproeven en de de ethische toetsing daarvan in (toegepast) wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.

Alleen speciaal opgeleide medewerkers mogen dierproeven uitvoeren. Daarnaast moet elke vergunninghouder in principe een Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) hebben die zorg voor een optimaal welzijn van proefdieren.

De controle op de naleving van de Wet op de dierproeven is de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), een inspectiedienst van het ministerie van VWS. Inspecteurs brengen jaarlijks een aantal (on)aangekondigde bezoeken. In 2011 zijn 383 inspecties uitgevoerd. De vergunninghouders dienen eveneens aan de NVWA gegevens te verstrekken over de dierproeven die zijn verricht. Deze worden opgenomen in de jaarlijkse rapportage 'Zo doende'.

3V's: Vervanging, Vermindering, Verfijning van dierproeven

 

In 2008 heeft het kabinet zijn visie op alternatieven voor dierproeven beschreven in de kabinetsvisie Alternatieven voor dierproeven. De overheid heeft hier in aangegeven het onderzoek naar alternatieven voor dierproeven te zullen stimuleren om het aantal dierproeven en het leed van dieren tijdens deze proeven zoveel mogelijk te beperken. Het einddoel is om met heel andere methoden te werken waarbij dierproeven niet meer nodig zijn. Het beleid richt zich op de zogenaamde 3V’s:

  • Vervanging: proeven met dieren zo veel mogelijk vervangen door proefdiervrije methoden.
  • Vermindering: bij elke proef zo min mogelijk dieren gebruiken. Door testen ‘slim’ te ontwerpen kan er vaak met minder dieren worden volstaan.
  • Verfijning: zorgen voor optimaal welzijn voor de individuele dieren en voorkomen van onnodig ongerief tijdens proeven. Een voorbeeld is het stopzetten van een proef als het doel van de proef niet opweegt tegen het ongerief van het dier.

In 2011 verscheen het Actieplan Dierproeven en alternatieven 2011-2021. Met dit plan worden de ontwikkeling, acceptatie, implementatie en uiteindelijke toepassing van alternatieven voor dierproeven gestimuleerd. In 2014 verscheen het Plan van Aanpak Dierproeven en alternatieven. Het uitgangspunt is 'Alleen een dierproef als er echt geen alternatief is'. Met het plan wil de overheid de kennis over alternatieven vergroten en toe laten passen in de praktijk. Klik hier als je meer wilt weten over het beleid van de overheid.
In 2010 is een Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor Dierproeven (NKCA) opgericht dat ervoor zorgt dat kennis wordt gedeeld tussen beleidsmakers, onderzoekers en de samenleving. Jaarlijks reikt de Dierenbescherming in samenwerking met het NKCA de Lef in 't Lab-prijs uit aan de onderzoeker die op uitmuntende wijze bijdraagt aan de Vervanging, Vermindering en/of Verfijning van dierproeven.

In Italië is sinds 1991 het European Union Reference Laboratory for Alternatives to Animal Testing opgericht. Deze organisatie heeft als doel het stimuleren van het gebruik van alternatieve methoden die het gebruik van dierproeven in de Europese Unie vervangen, verminderen en/of verfijnen.

Biotechnologie

Het verrichten van biotechnologische handelingen bij dieren, zoals het genetisch manipuleren van dieren, wordt ook gezien als een dierproef. Ook hiervoor geldt het 'nee, tenzij' principe. De regels hiervoor staan beschreven in het Besluit Biotechnologie bij dieren.

Cosmetica

Sinds 1997 is het verboden om in Nederland cosmetische producten en ingrediënten voor cosmeticaproducten te testen op dieren. In 2004 zijn in heel Europa dierproeven voor cosmetische eindproducten bij wet verboden. De ingrediënten van cosmeticaproducten mochten in Europa echter wel worden getest op dieren. Sinds 11 maart 2013 is dat ook verboden en geldt er een Europees test- en handelsverbod op cosmetica die op dieren is getest. Er mag in de hele Europese Unie geen nieuwe, op dieren geteste make-up, zeep, tandpasta enz. meer verkocht worden. Dit is bepaald in de Europese Cosmetica Richtlijn.

Gebruik van mensapen

Het gebruik van mensapen (chimpansees, bonobo's, orang-oetans en gorilla's) voor dierproeven is sinds 2003 in Nederland verboden.

De chimpansees die toentertijd nog werden gehouden bij het Biomedical Primate Research Centre in Rijswijk zijn herplaatst bij Stichting AAP in Almere en Safaripark De Beekse Bergen in Hilvarenbeek. Journalist Patrick Meershoek heeft in zijn boek 'De slag om de chimpansees' (2005) een terugblik geschreven over de omgang met chimpansees als proefdieren en de Rijswijkse kolonie in het bijzonder.