"Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil." - Albert Schweitzer (1875 - 1965)

Beleid en regelgeving voor omgang met dieren in het wild

Het Natuurbeleid in Nederland is gericht op behoud, beheer en ontwikkeling van natuur. Van oudsher heeft het natuurbeleid twee invalshoeken gehad:

  1. natuur om de natuur zelf: om planten- en diersoorten te laten voortbestaan (ook wel biodiversiteitsnatuur genoemd)
  2. natuur zodat mensen daar gebruik van kunnen maken, bijvoorbeeld om te recreëren (ook wel gebruiksnatuur genoemd)

Met het Natuurbeleidsplan (1990) werd het concept van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) geïntroduceerd: een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden waarmee planten- en diersoorten kunnen blijven voortbestaan. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden en raken hierdoor niet geïsoleerd. De kans op uitsterven is dan minder. In 2000 verscheen een nieuwe natuurnota 'Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur'. Met deze nota werd de EHS voortgezet, maar kwam er meer aandacht voor het gebruik van de natuur door mensen in de vorm van recreatie. Verder gaf de rijksoverheid in deze nota aan dat zij niet als enige de zorg voor natuur kon dragen, maar dat ook andere partijen in de maatschappij de verantwoordelijkheid voor behoud, beheer en ontwikkeling van natuur moeten nemen.

Er zijn in Nederland 4 wetten waarin bepalingen zijn opgenomen om de natuur en wilde dieren in Nederland te beschermen:

  1. de Natuurbeschermingswet 1998
  2. de Flora- en faunawet
  3. de Boswet
  4. de Visserijwet 1963

Natuurbeschermingswet 1998

De Natuurbeschermingswet 1998 richt zich op de bescherming van gebieden. Daarbij gaat het om natuurgebieden waarin zeldzame planten- of diersoorten leven of gebieden met een bijzondere ontstaansgeschiedenis of een bijzondere bodemopbouw. 

Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet stelt regels om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Ongeveer 500 van de 36.000 soorten die in Nederland voorkomen vallen onder de bescherming van deze wet. De wet gaat uit van de intrinsieke waarde van het dier. Dieren worden beschermd, omdat hun bestaan op zichzelf waardevol is. Dus zonder te kijken wat die dieren voor de mens betekenen. In de Flora- en faunawet worden de volgende diersoorten beschermd:

  • alle zoogdieren die van nature in Nederland in het wild voorkomen, met uitzondering van de bruine rat, de zwarte rat en de huismuis
  • alle soorten vogels die van nature op het grondgebied van de lidstaten van de EU in het wild voorkomen, dit is overeenkomstig met de Europese Vogelrichtlijn. Uitgezonderd zijn de gedomesticeerde individuen van de grauwe gans, de Europese kanarie, de rotsduif en de wilde eend.
  • alle amfibieën en reptielen die van nature in Nederland in het wild voorkomen
  • vissen, schaal- en schelpdieren voor zover ze niet onder de Visserijwet vallen
  • bepaalde aangewezen insecten (bijvoorbeeld vlinders, libellen en mieren)

De wet bevat een zorgplichtbepaling. Daarin staat: 'Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving'. Dat geldt voor iedereen en voor alle Nederlandse soorten. Handelingen met schadelijke gevolgen voor exemplaren van een beschermde diersoort zijn verboden, zoals

  • het doden, verwonden, vangen
  • opzettelijk verstoren
  • het beschadigen van rust- of verblijfplaatsen
  • het weghalen van eieren
  • het verhandelen en het bezitten van exemplaren en producten daarvan.

Een uitzondering is alleen mogelijk voor een 'redelijk doel'. Onder een redelijk doel wordt bijvoorbeeld onderwijs, wetenschap, schade aan landbouw en visserij, schade aan flora en fauna, openbare veiligheid, veiligheid van het luchtruim, volksgezondheid of jacht verstaan. Hiervoor moet een ontheffing of vrijstelling worden verleend. De bevoegdheid daartoe ligt ten dele bij het Rijk, namelijk bij de Minister van Economische Zaken en ten dele – waar het gaat om ontheffingen en vrijstellingen in het kader van beheer en schadebestrijding – bij de provincies.
De wet bevat verder bepalingen ten aanzien van de jacht, faunabeheer, schadebestrijding, de handel in dieren en bezit van beschermde diersoorten, biologische bestrijders, de opvang van beschermde dieren en het prepareren van dieren.

Jacht

In Nederland mag in beginsel in bepaalde perioden van het jaar worden gejaagd op:

Jagen buiten deze vastgestelde periode of op andere soorten, zoals edelherten, reeën en wilde zwijnen is verboden. Dit mag alleen als hiervoor een ontheffing is afgegeven voor beheer en schadebestrijding.

Faunabeheer en schadebestrijding

Faunabeheer vindt om 2 redenen plaats:

  1. het beheer van soorten
  2. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren (bijv. aan landbouwgewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren)

Voor het doden of vangen van dieren die tot beschermde diersoorten behoren, krijgen meestal alleen faunabeheereenheden toestemming 
Faunabeheereenheden zijn groepen van jachthouders (personen of organisaties die beschikking hebben over jachtrechten) die samenwerken in een gebied.
Zij stellen een faunabeheerplan op waarin staat wat het probleem is en waarom het doden of vangen van de dieren de enige oplossing is. Dit plan wordt voor toestemming voorgelegd aan de provincie. De provincie geeft alleen een ontheffing van een verbodbepaling indien wordt voldaan aan drie voorwaarden:

  1. er is geen andere oplossing dan het dier te bestrijden
  2. de soort mag niet met uitsterven worden bedreigd
  3. er moet sprake zijn van belangrijke schade aan gewas of vee

De wet bepaalt ook dat bij de bestrijding van dieren het welzijn van dieren niet onnodig mag worden aangetast en dat je dieren niet onnodig mag laten lijden. Zo mag je bijvoorbeeld huismuizen - die zijn niet beschermd - bestrijden, maar alleen op een diervriendelijke manier. Dit geldt ook voor jagers, zij moeten er bij de jacht voor zorgen dat dieren niet onnodig lijden.
Er wordt niet altijd toestemming gegeven om dieren die schade toebrengen te bestrijden. Zo kunnen dassen - een beschermde soort - grote schade toebrengen aan gewassen en grond, doordat ze van de gewassen eten en in weilanden naar regenwormen graven. In dat geval kan de grondgebruiker een tegemoetkoming in de schade vragen bij het Faunafonds. Per jaar wordt zo’n zeven miljoen euro aan schadevergoeding betaald, het meest voor overwinterende ganzen. Die schadevergoedingen zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat boeren de - voor hen schadelijke - dieren op hun land laten leven, zodat het leefgebied voor deze dieren is veiliggesteld.

Handel in dieren

In de Flora- en faunawet zijn bepalingen over de internationale handel in bedreigde dieren (en planten) opgenomen ter uitwerking van het CITES-verdrag dat inmiddels door bijna 180 landen is ondertekend. CITES staat voor Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna (Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde uitheemse dieren en planten). Het doel van dit verdrag is het uitsterven van dier- plantensoorten als gevolg van de handel in de soorten, te voorkomen. De (commerciële) handel van meer dan 30.000 beschermde soorten planten en dieren wordt gereguleerd met vergunningen en certificaten. De handel in producten van deze soorten wordt eveneens door deze overeenkomst beschermd.
Bij de overeenkomst zijn een aantal bijlagen vastgesteld (Appendix I, II en III) waarin de bedreigde soorten zijn genoemd die onder de regels van CITES vallen.

  • Appendix I: hierop staan soorten die met uitsterven bedreigd worden. Commerciële handel met deze soorten is in principe verboden.
  • Appendix II: hierop staan soorten die niet (direct) met uitsterven worden bedreigd, maar die in deze situatie kunnen raken wanneer de handel niet gereguleerd en gecontroleerd wordt.
  • Appendix III: hierop staan soorten die op verzoek van een lidstaat op de lijst zijn geplaatst, omdat zij deze nationaal hebben beschermd. 

Bezit van beschermde dieren

Voor dieren die direct met uitsterven worden bedreigd en die niet aantoonbaar in gevangenschap zijn gefokt of geboren, geldt in Nederland een bezitsverbod. Het gaat bijvoorbeeld om apen, wilde kattensoorten en sommige uit het wild afkomstige papegaaien en schildpadsoorten. Veel diersoorten, zoals roofdieren, mag je in Nederland niet thuis houden. Zelfs niet als ze in gevangenschap zijn geboren. In bepaalde gevallen is een ontheffing van het bezitsverbod mogelijk. Ook alle inheemse soorten zijn in Nederland beschermde dieren die je niet in bezit mag hebben (bijv. bosmuis, merel, egel, pad, bever, etc.).
Klik hier voor meer informatie over de Flora- en faunawet.

De Boswet

De Boswet heeft tot doel om bossen te beschermen. In het kort zegt de Boswet: wat bos is, moet bos blijven. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet kan op dezelfde plaats, dan moet dat elders (compensatie). Alleen bij een groot maatschappelijk belang wijkt de Boswet.

De Visserijwet 1963

De Visserijwet 1963 stelt regels aan de zee-, kust- en binnenvisserij, mede vanwege de natuurbescherming.

Internationaal

Er zijn verschillende internationale verdragen (conventies) afgesloten om de biodiversiteit te behouden.

De conventies zijn vertaald in Europese richtlijnen en vervolgens in nationaal beleid en regelgeving zoals vermeld hierboven.

  • de Europese Vogelrichtlijn: deze verplicht lidstaten maatregelen te nemen om de populatie Europese vogels op peil te houden
  • de Europese Habitatrichtlijn: deze richtlijn legt verplichtingen op om de leefgebieden van wilde planten en dieren in stand te houden