"Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil." - Albert Schweitzer (1875 - 1965)

Dierenwelzijn van proefdieren

Maatschappelijke zorg

De maatschappelijke discussie over proefdieren gaat over:

 

  • de vraag of dierproeven wel nodig zijn
  • het respectvol omgaan met dieren
  • het welzijn van de proefdieren
  • transparantie over onderzoek met proefdieren

Diverse organisaties verzetten zich tegen het gebruik van proefdieren. Dit komt o.a. tot uiting in hun campagnes.
In Nederland richten Stichting Dierproefvrij en de Anti Dierproeven Coalitie zich specifiek op proefdieren en pleiten zij voor alternatieve onderzoeksmethoden.

Campagneposters tegen dierproeven

Zijn dierproeven nodig?  

Mensen zetten vraagtekens bij de waarde van gegevens die via dierproeven worden verkregen voor de menselijke gezondheid. Mensen zijn wel dieren, maar dieren zijn geen mensen. Resultaten uit dierproeven kunnen niet zomaar worden vertaald naar de mens (extrapolatieprobleem). De resultaten geven geen garantie op resultaat bij de mens. Andersom kan het zijn dat producten die niet succesvol zijn op dieren, daardoor de mens niet bereiken, maar bij de mens mogelijk wel zouden kunnen werken.
De organisatie Doctors Against Animal Experiments Germany maakte hiervan onderstaande animatie.

Alternatieven

Gepleit wordt daarom voor dierproefvrije alternatieven waarvan er al veel zijn.
Enkele voorbeelden van proefdiervrije technieken zijn:

  • Weefselkweken: Bepaalde testen voor schoonmaakmiddelen worden nu vaak nog getest op kaalgeschoren cavia’s. Een onderzoeker kijkt of dat middel irritaties of allergieën veroorzaakt, en hoe lang dat duurt. Ter vervanging van deze test is een alternatief ontwikkeld met behulp van weefselkweken.
  • Computers: Veel studenten leren hoe dieren er van binnen uitzien en hoe organen werken door proefdieren open te snijden. Als alternatief zijn er nu geavanceerde computerprogramma met videobeelden.
  • Moleculaire structuren: Chemische stoffen zijn opgebouwd uit moleculen. En die bestaan weer uit nog kleinere bouwstenen. De bouwstenen van verschillende stoffen kunnen soms erg op elkaar lijken. Door met behulp van een computerprogramma een nieuwe stof met soortgelijke al bestaande stoffen te vergelijken, kunnen wetenschappers zonder een dierproef te hoeven doen al veel over de eigenschappen van deze nieuwe stof te weten komen.
  • Robots: Vroeger werden varkens of apen gebruikt om de veiligheid van autogordels of kinderzitjes te testen. Tegenwoordig worden hier robots voor gebruikt die zijn zijn aangesloten op computers die precies kunnen berekenen welke kracht er op een gordel komt te staan. 
  • Kunstrat: Er is een kunstrat van plastic beschikbaar voor geneeskundestudenten om bloedvaten te leren hechten onder de microscoop. De rat heeft een gat in zijn buik waardoor in de buikholte zijn hart en aderen goed te zien zijn. Klik hier voor een filmpje.
  • Huidmodel: Om te kijken of producten leiden tot huidirriatie werden vroeger irritatietesten uitgevoerd op de huid van konijnen. Deze testen kunnen nu worden uitgevoerd op een levend stukje huid dat is gevormd uit cellen van lapjes huid die ‘over’ zijn, bijvoorbeeld van een borstverkleining. 
  • Kunst-maagdarmkanaal: Van allerlei voedsel en geneesmiddelen wordt getest hoe goed mensen ze kunnen verteren. Hier worden proefdieren voor gebruikt. In veel gevallen kunnen deze testen nu met een namaakmaagdarmkanaal worden gedaan. Het ontwikkelde apparaat kan de samentrekkende bewegingen van een echte darm nabootsen. Het is gemaakt van glazen buizen die met elkaar worden verbonden door slangetjes. Op verschillende plaatsen worden er maag- of darmsappen van de mens in de buizen gepompt. Zo werkt het apparaat net als ons eigen spijsverteringskanaal.
  • Menselijke vrijwilligers: Het is in sommige gevallen mogelijk om als vrijwilliger mee te werken aan een test. Huidverzorgingsproducten worden bijvoorbeeld op vrijwilligers getest. Vrijwilligers krijgen dan een speciale pleister met de te testen stof op hun huid geplakt. Na een paar dagen wordt gekeken of de huid geïrriteerd is.

In het verleden is veel discussie geweest over het budget voor onderzoek naar alternatieven voor dierproeven. Voor 2012 en 2013 is er zo'n 3,7 miljoen euro beschikbaar voor de inzet van vervanging, vermindering en verfijning. Bij vervanging is het probleem dat het veel tijd kost om een proefdiervrije techniek geaccepteerd te krijgen. Nadat een proefdiervrije techniek ontwikkeld is, moet eerst bekeken worden of deze net zo betrouwbaar is als de dierproef. Dit proces, validatie genaamd, neemt nu nog jaren in beslag. Als een proefdiervrije techniek de validatie goed is doorgekomen, moet het nog worden opgenomen in de wet- en regelgeving. Als dit eenmaal is gebeurd, is het wettelijk verplicht het alternatief te gebruiken en is het verboden nog langer de dierproef te doen. Volgens een aantal partijen zouden de procedures hiervoor versneld moeten worden.

Fonds Proefdiervrij Onderzoek
De Stichting Proefdiervrij heeft een Fonds Proefdiervrij Onderzoek in het leven geroepen. Met dit fonds stimuleert de stichting de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije technieken.


Lef in het LAB-prijs
Ieder jaar reikt de Dierenbescherming de Lef in het LAB-prijs uit in het kader van Wereldproefdierendag (24 april). Met deze prijs wil de Dierenbescherming onderzoek stimuleren dat op uitmuntende wijze bijdraagt aan het terugdringen van dierproeven.

InterNICHE
Er bestaat een wereldwijd netwerk van studenten en docenten die zich inzetten voor het gebruik van alternatieven in het onderwijs, getiteld InterNICHE. InterNICH staat voor Internationaal Netwerk voor Humane Opleiding. Het netwerk streeft naar een hoog kwalitatieve, volledig humane opleiding en bijscholing in medische, veterinaire en biologische wetenschappen. In samenwerking met docenten ondersteunt het netwerk vooruitstrevende wetenschappelijke studies, vervanging van dierproeven door alternatieve methodes en samen met studenten ijvert het netwerk voor de gewetensvrijheid van studenten.

Herplaatsing proefdieren
De Stichting Hulp en herplaatsing van huisdieren zet zich al jaren in om dieren die na een experiment nog gezond en levend zijn, te herplaatsen bij particulieren. De afgelopen 13 jaar hebben zij 400 honden en 150 katten uit laboratoria kunnen plaatsen bij particulieren. Sinds kort proberen ze ook om knaagdieren bij particulieren onder te brengen.


Onvoldoende respect voor het dier

Niet alleen de noodzaak van dierproeven is onderwerp van maatschappelijke discussie, ook speelt de vraag of we op een respectvolle manier met dieren omgaan als we ze gebruiken voor het testen van de werkzaamheid of veiligheid van een (nieuwe) stof, medicijn, product of voor het opdoen van kennis. Argumenten die in dit kader worden genoemd zijn:

Dieren zijn geen gebruiksvoorwerpen of testobjecten

  • Dieren zijn levende wezens die angst en pijn ervaren en kunnen lijden.
  • Het is dieronwaardig om gezonde dieren kunstmatig ziek te maken of aan omstandigheden bloot te stellen die leiden tot stress, pijn of lijden.

Het toont geen respect voor de waarde van het leven van het dier

  • Sommige dieren gaan dood als gevolg van een test.
  • Dieren worden na gebruik voor een proef gedood.
  • Overtollige dieren, die op voorraad worden gehouden voor dierproeven, worden na enige tijd gedood. In Nederland gaat het daarbij om 574.511 dieren (zie rapport Zodoende 2013).

Proefdieren kunnen hun natuurlijke gedrag onvoldoende uitoefenen
De dieren leven onder onnatuurlijke leefomstandigheden, hetgeen ten koste gaat van hun natuurlijke gedrag.


In onderstaande korte film worden door Dr. André Menache, veterinair chirurg en wetenschappelijk adviseur van de Anti Dierproeven Coalitie de argumenten tegen dierproeven toegelicht.


Welzijn


Ieder proefdier wordt aangetast in zijn welzijn en ervaart ongerief. Ongerief kan ontstaan door:

  • de behandeling tijdens de proef (bijvoorbeeld als een dier ziek gemaakt wordt)
  • pijn
  • de opsluiting onder onnatuurlijke omstandigheden
  • het vaak vastpakken door mensen
  • angst en stress

In welke mate proefdieren hier last van hebben, wordt jaarlijks op hoofdlijnen gerapporteerd in het rapport Zo doende van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit.

Transparantie


De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit rapporteert met haar rapport 'Zo doende' over het aantal dierproeven, welke diersoorten daarvoor zijn gebruikt, bij welke bedrijven en geeft op hoofdlijnen aan wat voor onderzoek wordt verricht. Er zijn geen openbare gegevens over de precieze doelen waarvoor dierproeven worden verricht en de opzet van deze onderzoeken. Ook zijn de ethische afwegingen die de Dierexperimentencommissies maken over aanvragen voor proefdieronderzoeken niet openbaar. Gegevens over verrichte proefdieronderzoeken worden niet gepubliceerd.

Sommige proefdiercentra maken een publieksjaarverslag over het werk dat ze doen, zoals Biomedical Primat Research Centre Rijwijk en het Erasmus Medisch Centrum.

Nieuw beleid

Het proefdierbeleid is gericht op de zogenaamde drie V’s: Vervanging, Vermindering en Verfijning.

  • Vervanging: vervanging van dierproeven door alternatieven
  • Vermindering: staat voor het omlaag brengen van het aantal dierproeven. 
  • Verfijning: staat voor het zo veel mogelijk vergroten van het welzijn van de proefdieren door bijvoorbeeld de kooi beter in te richten of eerder verdoving te gebruiken.

In december 2011 is het Actieplan Dierproeven en Alternatieven 2011-2021 verschenen. Dit document bevat een overzicht van activiteiten die bij kunnen dragen aan het terugdringen van het aantal dierproeven en die de komende jaren zullen worden uitgevoerd.

Sinds 11 maart 2013 mag er in de hele Europese Unie geen nieuwe, op dieren geteste make-up, zeep, tandpasta enz. meer verkocht worden. In Nederland was het al sinds 1997 verboden om in Nederland cosmetische producten en ingrediënten voor cosmeticaproducten te testen op dieren. In 2004 werden in heel Europa dierproeven voor cosmetische eindproducten bij wet verboden. De ingrediënten van cosmeticaproducten mochten echter wel worden getest op dieren. Dit is nu ook verboden op grond van de Europese Cosmetica Richtlijn. Buiten Europa vinden echter nog wel dierproeven voor cosmetica plaatst en zetten diverse dierenorganisaties zich in om ook daar een verbod te krijgen.


Dierdonorcodicil
In Nederland is het inmiddels mogelijk om je overleden huisdier te doneren voor gebruik in het onderwijs. Dankzij het dierdonorcodicil zijn hiervoor minder proefdieren nodig. Het dierdonorcodicil is een initatief van de Stichting Proefdiervrij en de Universiteit Utrecht. Een overleden huisdier zal een veterinaire student over anatomie leren, maar ook over een respectvolle omgang tussen mens en dier. Op de universiteit ziet een docent erop toe dat er op een waardige manier met het dier wordt omgegaan.


Hoe denken Nederlanders over dierproeven?

In 2009 is een Belevingsonderzoek dierproeven uitgevoerd in opdracht van de Rijksvoorlichtingsdienst.
De Dierenbescherming heeft in 2004 een onderzoek door Intomart laten uitvoeren om te achterhalen wat de publieke opinie is over dierproeven. Uit dit rapport blijkt dat het Nederlandse publiek genuanceerd denkt over de vraag of dierproeven wel of niet acceptabel zijn. De factor die bij de afweging de grootste rol speelt, betreft de vraag in hoeverre de dieren onder de proeven lijden. Als de dieren hevig lijden vinden weinig mensen de dierproeven toelaatbaar. In de tweede plaats is van belang welk doel met de proeven gediend is. Alleen voor medische doeleinden vinden grote delen van de bevolking dierproeven onder bepaalde omstandigheden acceptabel. De diersoort die aan de proeven wordt onderworpen is de derde factor die wordt meegewogen in de afweging. Mensen maken bij hun oordeel over de toelaatbaarheid van de dierproeven nauwelijks verschil tussen apen enerzijds en honden of katten anderzijds. Als muizen worden gebruikt, vinden iets meer mensen de proeven acceptabel. Vergeleken met de twee eerdergenoemde factoren is de diersoort van minder groot belang in de afweging.

Bronnen/Meer weten?

Websites

Documentaires/films