"Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil." - Albert Schweitzer (1875 - 1965)

Visies van filosofen en ethici

Verschillende filosofen en ethici hebben in de loop der jaren nagedacht over de morele positie van dieren, over waarom ze wel of niet beschermd zouden moeten worden en over de vraag wat een goede omgang met dieren is.

Hieronder zijn de visies van een aantal filosofen/ethici samengevat en geordend naar:

  • Filosofen in de Oudheid
  • Filosofen in de Middeleeuwen
  • Filosofen in de 17e en 18e eeuw
  • Filosofen vanaf de 19e eeuw

Filosofen in de Oudheid


Pythagoras (ca. 582/70 - 496 v. Chr.)
Pythagoras was er van overtuigd dat mens en dier dezelfde ziel bezitten, die na de dood overgaat van dier naar mens en omgekeerd. Hij geloofde in zielsverhuizing en reïncarnatie. Daarom verdienden dieren volgens hem hetzelfde respect als mensen.
Je zou Pythagoras de eerste dierenbeschermer kunnen noemen, omdat hij ook daadwerkelijk opkwam voor de belangen van dieren. Zo kocht hij levende dieren op de markt en gaf ze daarna hun vrijheid terug. Hij was daarnaast overtuigd vegetariër.


Plato (428-348 v. Chr.)
Plato benadrukte het verschil tussen mens en dier. Volgens Plato is de mens geen dier. Volgens Plato bestaat de ziel uit drie grondkrachten: de rede, het doorzettingsvermogen en de begeerte. De rede is menselijk. Het doorzettingsvermogen verbindt Plato met de leeuw. De begeerte of lust ziet hij als een meerkoppig monster.
De dierlijke ziel heeft geen rede. De mens heeft wel animale eigenschappen als drift en lust, maar stijgt door de rede boven het dier uit. Door de rede niet te gebruiken kan de mens zich verlagen tot een dier. Volgens Plato mag de mens het dier naar eigen inzicht gebruiken. Dieren dienden beschermd te worden als object van eigendom: het doden of beschadigen van een dier leidde tot een verplichting tot schadevergoeding jegens de eigenaar.


Aristoteles (384-322 v. Chr.)
Aristoteles classificeerde de mens wel als een dier, zij het een rationeel dier. Wat betreft de anatomie en het gedrag bestaat er volgens hem een continuïteit tussen mens en dier en stelt hij dat ook dieren pijn en genot kunnen ervaren. De ziel is voor Aristoteles een levensbeginsel. De laagste vorm van de ziel vinden we bij planten die alleen het vermogen hebben om zich te voeden en voort te planten. Dieren hebben als extra het vermogen om waar te nemen (perceptie). Het perceptievermogen geeft dieren de mogelijkheid om te voelen en daarmee om pijn en genot te ervaren. De mens heeft de hoogste vorm van de ziel. Naast voeding, voortplanting en perceptie, heeft de menselijke ziel het verstand. Dit leidde tot een 'scala naturae': een ladder van het leven. Een ordening van de natuur waarop levende wezens werden gerangschikt van simpel naar complex. Bovenaan stond God en daarna volgden de engelen, de mens, de dieren, de planten en de levensloze zaken (aarde, water, gesteenten). Volgens Aristoteles mag de mens, in de lijn van deze natuurlijke hiërarchie, het dier voor zijn eigen nut gebruiken.
Volgens Aristoteles hebben alle dingen in de natuur ook een doel (in het Grieks 'telos'). Alles bestaat omwille van iets. Het gaat hier niet om een bewust streven naar een doel maar om een manier om de natuur te verklaren.
Meer weten over Aristoteles? Klik hier voor een filmpje.


Theophrastus (372 - 287 v. Chr.)
Theophrastus, leerling van Aristoteles en een van de eerste botanici, trad in de voetsporen van Pythagoras. Hij was het in een aantal opzichten met Aristoteles oneens. Hij deelde de mening niet dat dieren in het belang van mensen bestaan en vond het doden van dieren onnodig en onjuist. In de theoretische discussies over de rationaliteit van mens en dier beargumenteerde hij dat het verschil tussen menselijke en dierlijke psychologie niet zo groot is.


Plutarchus (46 - 126)
Plutarchus nam in zijn Moralia (een verzameling populair-filosofische essays over diverse onderwerpen) een essay op 'Over het eten van vlees'. Hij pleitte voor vegetarisme en was de eerste Griekse schrijver die het vegetarisme niet in verband bracht met de leer van de zielsverhuizing. Zijn belangrijkste motieven voor het vegetarisme zijn lichamelijke gezondheid, weerzin en compassie. Uit de menselijke anatomie leidt Plutarchus af dat vlees eten onnatuurlijk is. De mond, tanden, maag en darmen van de mens zijn er niet voor geschikt. Verder zijn er alternatieven. Weerzin tegen vlees is volgens hem een natuurlijke reactie. Vandaar dat men het vlees eerst braadt of kookt. De mens heeft geen hoger beschikkingsrecht over de 'dieren van het land' die zich voeden met hetzelfde voedsel, dezelfde lucht inademen en zich wassen en drinken met hetzelfde water.

Filosofen in de Middeleeuwen

In de Middeleeuwen (ca. 300-1500) ging de Westerse filosofie geheel op in de theologie. Het christendom kreeg veel invloed en daarmee de verhalen uit de bijbel. De bijbel geeft aan hoe mensen behoren te leven en te handelen. De positie van het dier wordt beschreven in het scheppingsverhaal. De mens is de kroon op de schepping en kreeg van God heerschappij over al het andere dat leeft. Dieren mogen gebruikt worden naar het eigen inzicht van de mens. In de geschiedenis van het christendom is de dominante houding van de mens ten aanzien van het dier door het merendeel van de theologen bevestigd.

 

De monnik Franciscus van Assisi (1181 - 1226) vormde hierop een uitzondering. Hij predikte liefde: liefde voor de Schepper, voor mens, dier en plant. En hij toonde eerbied voor al Gods schepselen en behandelde ze als gelijkwaardig. Hij noemde dieren 'broeders en zusters'. De goddelijke rangorde in de natuur, waar de mens bovenaan stond, betekende voor hem niet dat alle leven er ten behoeve van de mens was. Dieren hadden hun plaats op aarde volgens de goddelijke plannen, en niet voor menselijke doeleinden.
Een citaat dat aan hem wordt toegeschreven is: “Mensen die enig schepsel Gods uitsluiten van hun compassie en medelijden, zullen op soortgelijke wijze handelen tegenover hun medemensen.” Klik hier voor een filmpje over Franciscus van Assisi. In 1929 werd zijn sterfdag 4 oktober uitgeroepen tot Werelddierendag.


Thomas van Aquino (1224-1274)
Volgens de theoloog en filosoof Thomas van Aquino ligt het verschil tussen mens en dier in het feit dat mensen door het intellect wilsvrijheid hebben. Deze vrijheid zorgt ervoor dat de mens niet afhankelijk is van iets anders dan zichzelf. De mens is dan ook een doel op zich. Dieren hebben geen vermogen om vrij te handelen. Zij kunnen niet beslissen en zijn voor hun gedrag afhankelijk van (biologische) factoren. Ze zijn slaaf van hun omgeving. Aquino scherpt het verschil tussen mens en dier aan door de redenering dat alle dingen die afhankelijk zijn van iets anders dan zichzelf, te vergelijken zijn met instrumenten. Immers, instrumenten bestaan niet omwille van zichzelf, maar omwille van diegene die het instrument gebruikt. Met deze redenering duidt Aquino aan dat dieren, door de goddelijke voorbestemming, voor de mens moeten bestaan. Dit betekent niet dat de mens alles met dieren mag doen. In zijn Summa Contra Gentiles schrijft hij dat wreedheid tegen dieren verwerpelijk is. Niet omwille van het dier, maar vanwege het feit dat dit wreedheid van mensen oproept tegen andere mensen. Deze visie blijft dominant in de geschiedenis van het christendom.

Filosofen in de 17e en 18e eeuw

Ten tijde van de Verlichting (17e/18e eeuw) ontwikkelde men zich meer tot een mondige, redelijke en verdraagzame mens en ontstond er een steeds grotere afkeer van het fanatisme en despotisme van de kerk en de staat. De filosofen Immanuel Kant en Jeremy Bentham waren met hun visies invloedrijk. In de 18e en 19e eeuwse Romantiek gaat men het gevoel van dieren serieus nemen.


René Descartes (1596-1650)
Volgens de Franse natuurfilosoof en wiskundige Descartes zijn dieren machines. Het lichaam van mens en dier bestaat uit onderdelen (botten, spieren en andere organen) die met elkaar verbonden zijn en op elkaar kunnen inwerken. Ze vertonen in beginsel grote overeenkomst met machines die de mens maakt. Het bijzondere aan het dierlijk lichaam is dat het complexer en vernuftiger is dan al dat gene wat de mens kan maken. Het lichaam mag dan wel een soort machine zijn, maar het is een door God gemaakte automaat. Het lichaam is geheel gescheiden van de geest.
Dat dieren machines zijn, onderbouwt Descartes in zijn boek Discours de la méthode (1632) met redenen. Ten eerste hebben dieren en machines geen spreektaal ofwel kunnen hun gevoelens niet uiten in woorden. Ten tweede kunnen machines en dieren geen acties verrichten vanuit kennis, maar tonen ze gedrag dat voortkomt uit de eigenschappen van het lichaam. Ze handelen zonder na te denken. Soms kermen ze, maar dat geluid heeft niet veel te betekenen. Het is een bijgeluid: een schuren van de raderen. Descartes weet dat dieren zenuwen hebben. Hij heeft talloze honden opengesneden om hun spieren en hart te bestuderen. Maar de aanwezigheid van zenuwen zegt hem niet zoveel. Als dieren al pijn kunnen voelen, dan betekent dat nog niet dat ze er gewicht aan toekennen. Dieren zijn niet in staat hun ellende te vergelijken met een beter bestaan. Ze missen ieder begrip van vooruit- of achteruitgang. Als dieren pijn hebben, weten ze niet beter. Volgens Descartes mag de mens met dieren doen wat hij wil. Klik hier voor een filmpje over Descartes.


Voltaire (1694-1778)
In het Filosofisch Woordenboek bestrijdt Voltaire het mechanisch denken van Descartes. Hij bestrijdt dat de natuur alle middelen om gevoel op te wekken in het dier heeft aangebracht met de bedoeling dat het niets zou voelen. Dieren hebben volgens hem gevoel, kennis, geheugen en het vermogen om te leren.


Rousseau (1712-1778)
Volgens Rousseau horen dieren deelgenoot te worden van het natuurrecht, omdat zij gevoel hebben en tot op zekere hoogte op ons lijken. Dat betekent dat de mens rekening met ze moet houden en jegens hen bepaalde verplichtingen heeft na te komen. Zijn visie doet een oproep om dieren goed te behandelen, omdat dit voor dieren zelf belangrijk is. Zelf geeft Rousseau het goede voorbeeld: hij stopt met het commanderen van zijn hond. Dat gecommandeer van dieren door ‘superieure mensen’ past niet meer bij de stand van de wetenschap.
Net als Voltaire vermoedt Rousseau dat de mens uit dieren is geëvolueerd en dat denken en gevoel niet alleen aan mensen zijn voorbehouden. Rousseau betwijfelt of de evolutie van de mens een grote stap vooruit genoemd kan worden. Misschien waren die dieren waaruit wij zijn ontstaan wel beter af. Wat heeft die typisch menselijk cultuur ons eigenlijk gebracht? Steden met opgedofte mensen die in de ketenen van de cultuur liggen. Mensen die hun natuurlijke spontaniteit hebben verloren en slaven zijn geworden van gewoontes, conventies, afspraken en goede manieren.


Immanuel Kant (1724-1804)
De dierethiek van Kant is gefundeerd op het feit dat mensen redelijke en autonome wezens zijn. Zij hebben plichten die uit de rede voortkomen en die in eerste instantie betrekking hebben op mensen zelf. Alleen mensen zijn autonoom en daarmee een doel op zich. Dieren hebben geen zelfbewustzijn. Ze kunnen niet in vrijheid bepalen wat goed en slecht is. Door het gebrek aan rationaliteit en autonomie zijn dieren slechts een middel voor een doel. Dit betekent niet dat we alles met dieren mogen doen. Mensen hebben plichten ten aanzien van dieren, maar dan wel in een indirecte betekenis. Mensen zouden dieren goed moeten behandelen, niet omdat dit goed is voor de dieren, maar omdat dit ervoor zorgt dat mensen ook mensen goed zullen behandelen. Onze plichten gericht op het dier zijn indirecte plichten ten aanzien van de mensheid. Een goed mens zal goed zijn voor dieren, omdat het indirect een voorbeeld is voor mensen om zorgzaam te zijn. Dieren lijken op een aantal vlakken op mensen en het slecht behandelen van een dier zou kunnen leiden tot het net zo slecht behandelen van de medemens.
Meer weten over Kant? Klik hier voor een filmpje.


Jeremy Bentham (1748-1832)
Volgens de rechtsfilosoof Bentham wordt de aard van de mens beheerst door twee basisgevoelens: pijn en genot. Een theorie over wat goed en slecht is, moet voortkomen uit die twee basisgevoelens. Volgens Bentham is de enige morele plicht die wij hebben het bevorderen van de totale hoeveelheid geluk in de wereld en het verminderen van ongeluk. Volgens Bentham ervaart niet alleen de mens pijn en genot, ook het (hogere) dier heeft gevoelens. Dieren hebben daarom belangen die door de mens geschaad kunnen worden. Het schaden van het dierbelang ligt volgens Bentham niet in het doden van het dier. Dieren hebben volgens hem geen toekomstverwachtingen en kunnen in dat opzicht niets missen. Daarbij is de dood onder mensenhanden sneller en minder pijnvol dan in de natuur. Het gebruik van dieren voor voedsel vindt Bentham gerechtvaardigd, omdat wij mensen er beter van worden en zij niet slechter. Bentham vat zijn betoog voor rechten voor het dier samen met de beroemde uitspraak: “The question is not, Can they reason? Nor, Can they talk? But, Can they suffer?" Bentham vond dat het vermogen om pijn te ervaren en niet het vermogen om logisch te redeneren, de maatstaf moet zijn hoe we andere wezens behandelen. Als het vermogen om logisch te redeneren immers het criterium zou zijn, zouden veel mensen, waaronder baby's en geestelijk gehandicapten, ook als dingen moeten worden behandeld.

Filosofen vanaf de 19e eeuw


Henry Stephens Salt (1851-1939)
Salt zette zich als schrijver en campaigner in voor sociale hervormingen op het gebied van gevangenissen, scholen, economische instituties en het omgaan met dieren. In zijn boek Animals' Rights: Considered in Relation to Social Progress, is hij de eerste schrijver die zich expliciet uitspreekt voor dierenrechten. Hij was van mening dat dieren een wettelijk recht op bescherming hebben. Daarmee gaat hij verder dan een betoog voor het verbeteren van het welzijn van dieren. Hij schreef: "Als we ooit recht gaan doen aan de lagere rassen, moeten we ons ontdoen van de verouderde notitie dat er een grote kloof is tussen dieren en mensen en moeten we erkennen dat er een gemeenschappelijke band is die de mensheid verenigt met alle levende wezens in één universele broederschap."


Albert Schweitzer (1875-1965)
Missionaris en theoloog Albert Schweitzer pleitte voor een meer gelijkwaardige omgang van mensen met dieren. Het uitgangspunt van zijn visie is eerbied voor het leven. Zijn persoonlijke credo was: "Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil". Volgens Schweitzer moeten wij mensen het respect voor onze eigen wil tot leven uitbreiden naar alle wezens die een levensdrang hebben. Het leven op zich is heilig en het respect daarvoor staat los van de vraag in hoeverre wezens het vermogen hebben om te voelen. De mens moet liefde geven aan het leven. Het begrip liefde moeten we opvatten als een vorm van solidariteit. Dit betekent dat we goeddoen als we leven behouden en koesteren en kwaaddoen als we het vernietigen of belemmeren. (Foto:Yousuf Karsh)
Klik hier voor een documentaire over het leven Albert Schweitzer uit 1956. In 2009 is het leven van Albert Schweitzer verfilmd met Jeroen Krabbé in de hoofdrol, klik hier voor de trailer van de Duitse film 'Albert Schweitzer - Ein Leven für Afrika'.


Peter Singer
Peter Singer heeft een theorie ontwikkeld waarin het begrip rechtvaardigheid wordt toegepast op dieren. Zijn boek Animal Liberation: A New Ethics for our Treatment of Animals (1975) ( In het Nederlands uitgegeven als 'Pro Mens, Pro Dier' in 1977 en 'Dierenbevrijding' in 1994) heeft veel invloed gehad op de ontwikkelingen binnen de dierethiek, politiek en dierenbescherming. In zijn boek roept hij op tot bevrijding van de dieren van de wijze waarop wij dieren behandelen en verhandelen, waarop wij dieren gebruiken en verbruiken. Het lijden van dieren is het belangrijkste argument voor het veranderen van onze moraal ten aanzien van dieren. Dit deelt hij met de filosoof Jeremy Bentham. Hij vergelijkt de huidige omgang met dieren met slavernij en roept op om dieren daarvan te bevrijden.
Hij beargumenteert dat het onterecht is om aan een dieren een hogere morele status toe te kennen dan aan dieren op grond van bepaalde unieke vermogens zoals het vermogen tot denken of spreken. Hij beredeneert dat we onterecht onderscheid tussen dieren maken waar dat verschil niet ter zake doet. Hij introduceert hiervoor de term speciesisme: een vooringenomenheid voor de belangen van de leden van de ene soort en tegen de belangen van de leden van andere soorten. Een speciesist kent in een belangenconflict tussen mens en dier als vanzelfsprekend grotere waarde toe aan de belangen van de mens, terwijl dit niet te rechtvaardigen is. Als we racisme en seksisme verwerpen, dan moeten we volgens hem ook speciesisme, het onderscheid tussen soorten, verwerpen in die gevallen waarin het verschil niet ter zake doet.
Mensen die geen zelfbewustzijn hebben, zoals baby’s en sommige verstandelijke gehandicapten, staan volgens Singer op gelijke voet met dieren. In de praktijk betekent Singers theorie dat de bioindustrie afgeschaft moet worden, omdat het het welzijn van dieren aantast. Verder weegt het eten van vlees, dat als een luxe kan worden beschouwd omdat er alternatieven voor zijn, niet op tegen het leed dat dieren wordt aangedaan.
Meer informatie: Interview met Peter Singer in juli 2007 en op 18 april 2012. (foto van Denise Applewhite/Princeton University)


Tom Regan
Volgens Tom Regan moeten we onze houding ten aanzien van dieren veranderen. In zijn boek ‘Case for Animal Rights (1983) zet hij uiteen, dat het niet aleen gaat om het leed dat we dieren aandoen. Onze visie dat we dieren mogen gebruiken als bronnen voor voedsel, wetenschap en sport is verkeerd. We hebben directe plichten tegenover dieren, in ieder geval de plicht om geen schade te berokkenen. Deze plicht komt voort uit de visie dat dieren een eigen waarde hebben. Dieren hebben bewustzijn, verlangens en een individueel welzijn. Ze hebben een waarde die los staat van de waarde die mensen aan het dier geven. Volgens Regan is het begrip eigen waarde van toepassing op alle zoogdieren ouder dan een jaar. Deze dieren zijn levens-subjecten (subject of a life), omdat ze beschikken over een geheugen, zelfbewustzijn en emoties zoals boosheid, vrees en verlatenheid. Ze hebben het vermogen om een eigen leven te leiden. Dieren streven naar een waardig leven dat geschaad kan worden door pijn, leed, frustratie en de dood. Het feit dat dieren levens-subjecten zijn, betekent dat ze een direct recht hebben op respect. Dit is een moreel recht dat zijn geldigheid ontleent aan het principe van gelijkheid. Als we mensen als levens-subjecten beschouwen en daarmee hun eigen waarde respecteren, dan moeten we dat ook laten gelden voor dieren die het vermogen hebben hun welzijn te ervaren. Dit heeft tot gevolg dat veehouderij, jacht en dierproeven moeten worden stopgezet. Klik hier voor een interview met Tom Regan in 2000.


Bernard E. Rollin
De theorie van Bernard Rollin, neergeschreven in zijn boek ‘Animal Rigths and Human Morality’ (1981) kan geplaatst worden tussen de visies van Peter Singer en Tom Regan. Met Tom Regan heeft hij gemeen dat hij probeert de mensheid ervan te overtuigen dat dieren directe rechten hebben, maar neemt afstand van Tom Regan als het gaat om het absolute karakter daarvan. Met Peter Singer deelt hij de mening, dat de belangen die dieren hebben voortkomen uit hun vermogen om welzijn te ervaren. Het nadeel van Singers theorie is, volgens Bernard Rollin, dat welzijn te nauw gedefinieerd is, namelijk als pijn lijden en genot ervaren. Rollins theorie over de morele status van dieren is gefundeerd in het begrip telos, dat hij van Aristoteles overneemt. De telos maakt het dier ‘dier’. Doordat dieren van nature met een mate van bewustzijn streven naar het in leven blijven en zich voort te planten, is die telos van eigen waarde. Het leven en overleven is primair het belang van het dier zelf. Omdat dieren belangen hebben, bezitten ze rechten. Het gaat volgens Rollin voornamelijk om het recht op morele consideratie en het recht op leven. Wij mensen moeten inzien dat het moreel laakbaar is om dieren te gebruiken voor een menselijk nut als daarmee het dier in het realiseren van zijn levensdoelen belemmerd wordt.
Dit wil volgens Rollin niet zeggen dat de mens het dier niet mag gebruiken, maar dan met de erkenning dat het om levende wezens gaat met hun eigen specifieke telos. Klik hier voor een college dat Bernard Rollin gaf op 27 juni 2011 in Baltimore. Hij heeft tevens meegewerkt aan de film 'The Superior Human?' die in 2012 is verschenen.


Paul W. Taylor
De filosoof Paul W. Taylor breidt de kring van moreel relevante actoren in vergelijking met Tom Regan aanmerkelijk uit. In zijn boek 'Respect for nature - A theory of environmental ethics' (1986) beschrijft hij zijn biocentrische benadering en beargumenteert hij dat niet alleen mensen en dieren tot de morele gemeenschap behoren, maar alle levende wezens inclusief planten en micro-organismen. Hij kent hen alle een intrinsieke waarde toe (Taylor gebruikt de term inherent worth), omdat zij een goed voor zichzelf hebben, een telos. Dat goed bestaat uit het tot uitdrukking brengen van vermogens en het vervullen van behoeften op een regelmatige, evenwichtige en bij de soort passende wijze.
Zijn antwoord op de vraag naar de rechtvaardiging van morele consideratie is dat alle levende wezens – als doelgerichte centra van leven – nu eenmaal deel zijn van dezelfde levensgemeenschap, ongeacht hun psychologische complexiteit. Volgens het door hem voorgestelde beginsel van “intersoortelijke onpartijdigheid” dienen alle organismen met gelijke zorg en met gelijk respect behandeld te worden. Moreel gezien hebben mensen geen streepje voor op andere levende wezens. Als mensen een intrinsieke waarde hebben, dan hebben andere wezens die ook. Menselijke belangen gaan dus ook niet per se voor die van dieren. Taylor schetst een aantal principes die van toepassing zijn indien belangen van mensen en dieren botsen, zoals zelfverdediging, proportionaliteit, minimale schade, rechtvaardige verdeling en herstel of compensatie van schade. Klik hier voor een artikel van Paul W. Taylor.


Raymond G. Frey (1941-2012)
Raymond G. Frey beargumenteert in zijn boek 'Interests and Rights: The Case Against Animals' (1980) dat dieren geen rechten kunnen hebben. Volgens hem hebben dieren belangen in de zin van een behoefte, zoals de behoefte om verzorgd te worden en gezond te blijven, maar dieren kunnen geen belang in iets hebben. Daarvoor moet een verlangen of begeerte aanwezig zijn, een bewust willen van iets.
Elk verlangen is gebaseerd op een oordeel over een bestaande situatie. Volgens Frey heb je (woord)taal nodig om te oordelen. Dieren hebben geen woordtaal, kunnen daarom niet oordelen, en dus ook niets verlangen. Daarom hebben ze ook geen belang in iets en zonder belangen kun je geen rechten hebben. 


Mary Midgley
Mary Midgley neemt een positie in die ligt tussen Tom Regan en Raymond G. Frey. In haar boek 'Animals and why they matter' (1983) verdedigt zij het speciesisme met haar theorie van sociale verbintenis. Volgens Midgley bepaalt niet alleen de rede wat goed of fout is, maar kan dat ook voortkomen uit gevoel. Ons morele gevoel is niet gelijk ten aanzien van ieder mens of dier. Het gevoel is het sterkst bij diegenen die het dichtst bij ons staan, onze familie en vrienden. Dit is volgens haar een gerechtvaardigde vorm van gevoelsmatige discriminatie. Volgens Midgley hebben dieren wel een morele status, omdat ze belangen hebben. Echter, mensen en dieren hoeven in gelijke omstandigheden niet gelijk behandeld te worden, omdat mensen wegens een sociale verbintenis partij kunnen kiezen voor mensen.


Peter Carruthers
Peter Carruthers bepleit in zijn boek 'The Animal Issue: Moral theory in practice' (1992) dat wat goed en fout is alleen wordt bepaald door regels die mensen met elkaar opstellen om daarmee hun interacties te regelen. Het is te zien als een 'virtueel sociaal contract' dat mensen met elkaar hebben. Dieren hebben daarin geen plaats, omdat zij volgens hem geen rationele wezens zijn. Alleen rationele wezens kunnen een contract afsluiten, omdat zij de betekenis van een contract kunnen bevatten. Dieren hebben volgens Carruthers geen vermogen om bewust (reflectief) te denken en kunnen zich niet bemoeien met de inhoud van het contract en de reikwijdte van de morele regels. Niet-rationele mensen zoals baby's en geestelijk gehandicapten hebben volgens hem echter wel morele rechten, omdat dit anders grote sociale instabiliteit zou veroorzaken. Deze 'contracttheorie' kan echter wel beperkingen aan mensen opleggen in het omgaan met dieren, zoals dat we dieren geen pijn mogen doen. Deze beperking is dan echter gebaseerd op het respect voor de gevoelens van dierliefhebbers of op het morele karakter van mensen, maar niet op de morele status van het dier. Deze theorie kan worden gezien als een combinatie van de theorieën van Raymond G. Frey en Mary Midgley.


Josephine Donovan en Carol J. Adams
In hun boek 'Beyond Animal Rights- A feminist caring ethic for the treatment of animals (1996)' introduceren Josephine Donovan en Carol J. Adams de feministische zorgethiek in de omgang met dieren. Zij bekritiseren de vooral mannelijke ratio en mathematische calculatie in de omgang met dieren. Volgens hen gaat het om zorg, het luisteren naar dieren, ze emotionele aandacht geven en serieus nemen wat dieren ons vertellen. Dit laatste betekent letten op lichaamstaal en andere communicatie en reacties van dieren op situaties. Op basis van analogie met jezelf, kun je dan concluderen of iets prettig of niet is voor een dier. Mensen moeten meer leren: openheid, ontvankelijkheid, empathie, sensitiviteit en voorstellingsvermogen. Het gaat om een individuele ehtische of sympathische reactie. Kinderen moeten weer zo opgevoed worden dat ze hun natuurlijke empathische respons jegens dieren behouden. Daarnaast moeten ze kritisch leren denken. Carol J. Adams is tevens schrijfster van de boeken 'The sexual politics of meat' (1990) en 'The pornography of meat' (2003). Klik hier voor een interview met Carol J. Adams in 2012 door Joshua Katcher over mannelijke identiteit en het eten van vlees.


Roger Scruton
Roger Scruton bracht in 1998 zijn boek 'Animal Rights and Wrongs' uit. Hierin betoogt hij dat het idee van dierenrechten een vreemd idee is. Bij rechten horen volgens hem namelijk ook plichten en verantwoordelijkheden. Het kunnen nemen van verantwoordelijkheid is volgens hem een eigenschap die mensen onderscheid van dieren. Omdat dieren geen plichten kunnen nakomen, is het volgens Scruton dan ook onnodig om ze wel rechten toe te kennen.


Gary L. Francione
De rechtsfilosoof Gary L. Francione stelt in zijn boek 'Introduction to animal rights: Your child or the dog?' (2000) dat het moreel onaanvaardbaar is om dieren te houden. Het houden van dieren is namelijk altijd een inbreuk op hun zelfbeschikkingsrecht. Volgens de wet worden dieren gezien als eigendom. Eigendom impliceert dat je er mee mag doen wat je wilt, bijvoorbeeld dieren gebruiken, verkopen en doden. Er bestaan wel wetten die dierenleed moeten voorkomen, maar Francione laat in zijn boek aan de hand van diverse voorbeelden zien dat deze weinig effectief zijn. In de praktijk gaan onze belangen namelijk vaak voor en maken we de belangen van dieren daaraan ondergeschikt. Francione spreekt van ‘morele schizofrenie’ wanneer wij zeggen dat wij dieren niet onnodig mogen laten lijden, maar wij zelf ook bepalen of we ons daaraan moeten houden. Hij stelt dat er slechts één recht voor dieren nodig is, namelijk het recht om niet als ding behandeld te worden, want  'If I can enslave you and kill you at will, then any other right you may have will not be of much use to you'. Omdat mensen en dieren het vermogen hebben om te lijden en belang hebben om niet te lijden, zoals ook Jeremy Bentham stelde, pleit Francione voor gelijke beschouwing: individuen met gelijke belangen, moeten gelijk behandeld worden onder gelijke omstandigheden.


Martha Nussbaum
Martha Nussbaum spreekt in haar boek 'Een waardig bestaan: Over dierenrechten' (2007) over vermogensethiek (eerder verschenen als hoofdstuk in het boek Frontiers of Justice' in 2006). Daarbij neemt zij, in tegenstelling tot de subject- en biocentrische benadering, de feitelijke omgeving of context, in beschouwing. Net als Paul W. Taylor vindt zij dat dieren intrinsieke waarde ontlenen aan hun vermogens om zich te ontplooien en te floreren. Daarom behoren ze volgens Nussbaum tot onze morele kring en moeten we ze rechten toekennen. Respect voor hun intrinsieke waarde houdt in dat wij zorgen dat dieren de vermogens en vaardigheden die zij als soort en als individu in aanleg bezitten, ook daadwerkelijk kunnen ontplooien. Hoewel de natuurlijke omgeving voor dieren de geëigende omgeving is, kan dat floreren ook onder minder natuurlijke condities plaatsvinden mits we de juiste zorg verstrekken. Wat dat is en hoe ver dat gaat, hangt mede af van soortspecifieke en individuele kenmerken van de dieren. Maar als we als houders van dieren in redelijkheid zorgen dat onze dieren kunnen floreren, wordt in deze benadering voldoende aan hun intrinsieke waarde tegemoet gekomen. Nussbaum heeft een lijst van relevante basale vermogens opgesteld. Daarin staan naast algemene elementen als het vermogen in gezondheid een leven te leiden en de lichamelijke integriteit te handhaven, ook vermogens die te maken hebben met nieuwsgierigheid, spel, emotie, cognitie en relatievorming. Zulke vermogens hangen ook samen met individuele eigenschappen. Nussbaums benadering bouwt enerzijds voort op klassieke inzichten, maar vraagt ook aandacht voor de vermogens en behoeften van individuele dieren. Klik hier voor een interview met Martha Nussbaum.        


Sue Donaldson & Will Kymlicka
Deze filosofen komen in hun boek Zoopolis met een uitbreiding van de 'Animal Rights'-traditie binnen de dierethiek. Ze erkennen het bestaan van onschendbare individuele dierenrechten, maar vinden Tom Regan en Gary Francione niet ver genoeg gaan. Donaldson en Kymlicka stellen dat mensen niet alleen negatieve plichten (dieren geen kwaad doen/zoveel mogelijk met rust laten), maar ook positieve plichten jegens dieren hebben. Hierbij staat het begrip 'burgerschap’ centraal. Dieren die in de praktijk volkomen geïntegreerd zijn in de menselijke samenleving, zoals huisdieren, zouden opgewaardeerd moeten worden tot staatsburgers van die samenleving. Een dier hoeft overigens zelf geen notie van burgerschap te hebben om er toch voor in aanmerking te kunnen komen. In dit opzicht zijn dieren vergelijkbaar met jonge kinderen of volwassenen met een verstandelijke beperking. Aan het burgerschap zijn rechten verbonden die verder gaan dan het universele recht om niet onnodig geschaad te worden. Huisdieren moeten (toepasbare) rechten krijgen die gekoppeld zijn aan hun burgerschap, zoals het recht op een adequate socialisatie, op gezondheidszorg, en op juridische en politieke vertegenwoordiging. Ze zijn ingesteld op een leven bij mensen en dit strookt ook met hun natuurlijke mogelijkheden. Het burgerschap is binnen de theorie van Zoopolis beperkt tot (mensen en) huisdieren. Wilde dieren leven in eigen gemeenschappen die soeverein zijn en als zodanig gerespecteerd dienen te worden. Ingrijpen is in bepaalde gevallen wel verdedigbaar, bijvoorbeeld om individuele dieren te redden, maar mensen moeten oppassen met grootschalige interventie die hele gemeenschappen zou kunnen ontwrichten. Het boek slaat vanuit het realistische besef dat veel dieren hoe dan ook bij onze leefwereld horen, een soort brug tussen de dierenrechtenfilosofie en het gedachtegoed en de praktijk van actieve dieren- en faunabeschermers.
Klik hier voor een lezing van Will Kymlicka in Nederland. 




Meer weten?

Gebruikte bronnen

  • Meijer, F., De hond van Odysseus, Het dier in de oudheid, 2009
  • Pompe, V., Ethiek van de mens-dier relatie, Diermanagement Van Hall Larenstein, 2000
  • Rivas, T., Boekbespreking Zoopolis in Vegan Magazine, 2012
  • Vuurboom, J., Geschiedenis van het Westers vegetarisme

Boeken

  • Berg, F. van den, De vrolijke veganist - Ethiek in een veranderende wereld, 2013
  • Bordes, E. de, Dieren in het geding. De rechter, de wetgever en het dier in Nederland, 2011
  • Bruers, S., Het Dierendebacle, 2010
  • Carruthers, P., The Animal Issue: Moral theory in practice, 1992
  • Cliteur, Paul, Darwin, dier en recht, 2001
  • DeGrazia, D., Animal rights. A very short introduction, 2002
  • Donaldson, S. en W. Kimlycka, Zoopolis, 2011
  • Donovan, J. en C.J. Adams, Beyond Animal rights - A feminist caring ethic for the treatment of animals, 1996
  • Eskens, E., Democratie voor dieren, 2009
  • Eskens, E., Een beestachtige geschiedenis van de filosofie, 2015
  • Frey, R.G., Interests and Rights: The Case Against Animals, 1980
  • Francione, G.L, Introduction to animal rights: your child or the dog?, 2000
  • Hearne, V., Animal Happiness, 1994
  • James, B., Praten over...Dierenrechten, 1999
  • Menely, T., The animal claim: sensibility and the creaturely voice, 2015                                                            
  • Midgley, M., Animals and why they matter, 1983
  • Nussbaum, M., Een waardig bestaan. Over dierenrechten, 2006
  • Patterson, C., Eternal Treblinka: Our Treatment of Animals and the Holocaust, 2002
  • Regan, T., Case for Animal Rights, 1983
  • Rijpkema, B., B. Zee e.a, Bij de beesten af! Over dierenrecht en onrecht, 2013
  • Rollin, B.E, Animal Rights and Human Morality, 1981
  • Salt, H., Animals' Rights: Considered in Relation to Social Progress, 1894
  • Sax, B. Animals in the Third Reich, 2013
  • Scruton, R., Animal Rights and wrongs, 1998
  • Singer, P., Animal Liberation: A New Ethics for our Treatment of Animals, 1975
  • Spiegel, M., The dreaded comparison: human and animal slavery, 1997
  • Taylor, P.W, Respect for nature - A theory of environmental ethics, 1986
  • Torres, B., Making a killing: the political economy of animal rights, 2007
  • Turner, J. en J. D'Silva, Animals, Ethics and Trade. The challenge of animal sentience, 2005
  • Vandenbosch, M., Recht voor de beesten, 1996
  • Waldau,P., Animal Rights. What everybody needs to know, 2011
  • Wise, S.M., Rattling the Cage: Towards Legal Rights for Animals, 2001 (zie ook The Nonhuman Rights Project)

Film

Lezingen