"Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil." - Albert Schweitzer (1875 - 1965)

Ontwikkeling van de morele positie van het dier

De morele positie die mensen aan dieren toekennen is in de loop der eeuwen veranderd en verschilt per dier. Hieronder vind je een korte historische schets.  

Dieren in de prehistorie
Reden voor domesticatie is dat mensen over de nuttige eigenschappen van dieren wilden beschikken. De dieren dienden onder andere voor de productie van voedsel, wol en leer, als trekdier, bewaking en gezelschap.

Dieren in de oudheid (3.000 voor Christus - 300 na Christus)
In de tijd van het Oude Griekenland en het Romeinse Rijk voelde de mens zich superieur ten opzichte van het dier. De mens is de meerdere van de dieren. Mensen kunnen dieren neerschieten, gevangennemen, temmen en voor zich laten werken.

Dieren in de Middeleeuwen (± 4e - 14e eeuw)
De middeleeuwse maatschappij is ontstaan uit de Grieks-Romeinse beschaving, het christelijk geloof en Germaanse tradities. De middeleeuwse samenleving was een agrarische samenleving en in deze periode ligt de nadruk vooral op het nut van het dier. Het dier dient als voedsel, werkkracht en wordt gebruikt voor medicinale doeleinden (o.a. vossengal ter verbetering van het gehoor). Dieren als huisdier vormen de minderheid. Onder invloed van het christelijk geloof gelooft men dat de mens boven het dier staat en dat de mens het enige dier is dat een ziel heeft. Dieren zijn verder niet begiftigd met de rede en beschikken niet over een vrije wil zoals de mens. Het intellect is de schakel met God en het goede. De natuur werd gezien als een dierlijke wereld, vol dierlijke driften. Aan het eind van Middeleeuwen begon het intensief gebruik van dieren duidelijk contouren te krijgen.

Dieren tijdens de Renaissance (± 15e - 16e eeuw)
In de tijd van de Renaissance herleefde de belangstelling voor de klassieke oudheid. Veel wetenschappers, filosofen en kunstenaars beschouwden de Middeleeuwen als een duistere periode, die overheerst werd door de dwingende macht van de kerk die elke vernieuwing tegenhield. Met de herontdekking van het klassieke erfgoed (daar was de mens de maat van alle dingen) vond een soort wedergeboorte plaats. In deze periode ging het feodale stelsel ten onder, werden nieuwe continenten ontdekt, deed de wetenschap vele ontdekkingen en vond de uitvinding van drukpers, papier, kompas en buskruit plaats. De filosofen uit deze periode besteedden voornamelijk aandacht aan God en de mens, en niet aan de natuur. De houding jegens dieren bleef onveranderd.

Dieren tijdens de Verlichting (± 17e - 18e eeuw)
In de tijd van de Verlichting, ook wel eeuw van de Rede/Rationalisme, stond de rede en het logisch denken centraal. Godsdienstige gedachten moesten niet langer het denkbeeld vormen; er moest meer aandacht komen voor zintuiglijke waarnemingen en de conclusies die uit die waarnemingen getrokken konden worden. In deze periode groeide de wetenschap en de intellectuele uitwisseling. Voorstanders van de Verlichting bestreden het bijgeloof, het misbruik van recht in kerk en staat, intolerantie en kwamen op voor zekere grondrechten (van mensen). De Verlichting wordt gezien als een van de pijlers van de Westerse beschaving. Ze wijzigde het denken over de politiek, de wetenschap, de economie, de cultuur, de opvoeding en de religie in de Westerse wereld. De Verlichting gaf aanleiding tot modernisering van de samenleving door middel van individualisering, emancipatie, feminisme, secularisering en globalisering. Het gelijkheidsbeginsel, de mensenrechten en de burgerrechten vinden er hun wortels, net zoals het 'vrijdenken', het Klassiek-liberalisme, het socialisme, het anarchisme. In deze periode hadden geleerden en amateurs grote belangstelling voor de natuur. Het ging hun om het ontdekken van de wetmatigheden. In deze periode stelt men vast dat het lichaam van het dier erg op dat van de mens lijkt. Het besef dringt door dat alle gewervelde dieren, inclusief de mens, eenzelfde zenuwstructuur hebben en vaak hetzelfde voelen.

Dieren in de Romantiek (± eind 18e - begin 19e eeuw)
In de periode van de Romantiek werd, in reactie op de Verlichting, de subjectieve ervaring als uitgangspunt genomen. Hierdoor kwamen introspectie, intuïtie, emotie, spontaniteit en verbeelding centraal te staan. De romanticus had een zekere afkeer van de (zich ontwikkelende) industrie, de techniek en de steden. Plekken die nog niet door de menselijke ratio waren bedoezeld kregen de eretitel natuur. In de Romantiek nam de verheerlijking van de natuur bijna religieuze vormen aan. Romantici ontwikkelden een bijzondere waardering voor wildernis, omdat zij veronderstelden dat daarin de meest authentieke, pure vorm van natuur te vinden is. Daarnaast ging men uit van een eenheid van mens en natuur. In deze periode gaat men het gevoel van dieren serieus nemen. Filosofen tornen voorzichtig aan de superioriteit van de mens over het dier. De herwaardering van het dier vindt plaats tegen de achtergrond van een groeiende kritiek op het menselijk denken. Enkele filosofen vragen zich af wat het denken de mens heeft gebracht. De spontaniteit is verdwenen. De filosoof Rousseau (1712-1778) schrijft "Overal ligt de mens in de ketenen, maar in de natuur zijn dieren nog vrij en spontaan. Dieren hebben geen last van gepieker, gesomber en kritische distantie. Ze lijden ook niet onder opgelegde normen en waarden. Dieren zijn puur." Zijn pleidooi leidt er toe dat voor het eerst in de geschiedenis mensen voor hun plezier gaan wandelen, zonnebaden, picknicken, bergbeklimmen, baden en hardlopen. Door samen te vallen met het lichaam, hoopt de mens weer 'zichzelf' te worden. Het 'zelf' wordt daarbij opgevat als een dierlijke kern waarmee het rationele denken weer in contact moet komen.

Dieren tijdens de Industriële revolutie en 'landbouwrevolutie' (± 19e en 20e eeuw)
Samen met de industriële revolutie, ontstond in het midden van de 18e eeuw in Engeland de landbouwrevolutie. Tijdens deze periode werd de kunstmest (uitvinder Justus von LIebig) ingevoerd, werden drainagesystemen ontworpen en werd de trekos vervangen door het paard. In de landbouw werd niet alleen geproduceerd met het oog op zelfvoorziening, maar werd geproduceerd voor de markt. Hierdoor steeg de productie enorm. In de 20e eeuw ontstond een nog verdere schaalvergroting, doordat men ging produceren op wereldniveau. Er is sprake van verdergaande mechanisatie van de landbouw, het gebruik van pesticiden naast de kunstmest om de productie te verhogen en het ontstaan van voedselverwerkingsbedrijven. De intensieve veehouderij groeit. Dieren hebben vooral instrumentele waarde voor de mens. In 1864 wordt in Nederland de Dierenbescherming opgericht.

Dieren in de 20e eeuw - heden
De verdergaande instrumentalisatie van het dier leidt in de maatschappij tot toenemende zorg over onze omgang met dieren. In 1964 verschijnt in Engeland het eerste boek waarin kritiek wordt geuit op de alsmaar verdergaande intensivering van de veehouderij na de Tweede Wereldoorlog: 'Animal Machines: The New Factory Farming Industry' door de Britse Ruth Harrison (1920-2000). In Nederland wordt in 1981 de intrinsieke waarde van het dier erkend: de erkenning dat een dier een eigen waarde heeft, los van het belang van het dier voor de mens. Deze erkenning wordt door de overheid opgeschreven in de Nota Rijksoverheid en Dierenbescherming in 1981. De erkenning is nu ook opgenomen in artikel 1.3 van de Wet dieren.


Filosoof Erno Eskens schetst in zijn boek 'Een beestachtige geschiedenis van de filosofie' (2015) uitgebreid hoe de morele positie van het dier zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld. Hij laat zien hoe mensen over dieren dachten en, via hun beeld van dieren, ook over de mens. In de vergelijking met het dier kreeg de menselijke identiteit vorm.
Klik hier voor een radio-interview met Erno Eskens over zijn boek.



Meer weten?

  • Chris, C., Watching wildlife, 2006
  • Cliteur, P., Darwin, Dier en recht, 2001
  • Davids, K., Dieren en Nederlanders - Zeven eeuwen lief en leed, 1989
  • Eskens, E., Democratie voor dieren - Een theorie van rechtvaardigheid, 2009
  • Eskens, E., Een beestachtige geschiedenis van de filosofie, 2015
  • Everaert, C., Dierenopvattingen en -voorstellingen in de stand van de kennis van de 13e eeuw (scriptie), 2004
  • Hageraats, B., Kijken naar natuur. Sprong uit de moraal, 2010
  • Meijer, F., De hond van Odysseus - Het dier in de oudheid, 2009
  • Noske, B., Mens en dier. Vriend of vijand?, 1988
  • Uytvens, R. van, De papegaai van de paus - Mens en dier in de Middeleeuwen, 2003
  • Zweers, W., Participeren aan de natuur - Ontwerp voor een ecologisering van het wereldbeeld, 1995