"Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil." - Albert Schweitzer (1875 - 1965)

Tellen dieren mee?

Morele positie van dieren

Welke plaats nemen dieren in, in de samenleving? Tellen dieren mee en houden we rekening met hun belangen? Met andere woorden hebben ze een morele positie? En wat betekent die positie dan voor ons handelen? Welke verplichtingen brengt het met zich mee?

Er kunnen 4 morele posities worden onderscheiden met de morele verplichtingen die daar uit voortvloeien voor de mens (bron: Essay Houden van dieren):

1. Dieren hebben enkel instrumentele waarde

  • Status van het dier: Dieren hebben geen morele status. Ze tellen moreel gezien niet zelfstandig mee. Ze hebben geen waarde omwille van zichzelf. De morele waarde valt samen met de gebruikswaarde van het dier.
  • Verplichtingen voor de mens: De mens heeft geen directe verplichtingen ten opzichte van dieren omwille van het dier zelf. Alleen vanuit de gebruikswaarde zorgt de mens voor het dier. Dat wil echter niet zeggen dat we alles met een dier mogen doen. We hebben de verplichting om mishandeling en verwaarlozing te voorkomen. Die verplichting  is echter niet omwille van het dier, maar volgt uit het respect voor het dier als eigendom van andere mensen, of verwijst naar menselijke zedelijkheid en humaniteit. Bij dit laatste gaat het er om dat bepaalde handelingen met dieren ook een ongewenst uitstralingseffect hebben op de menselijke moraliteit. Met andere woorden, sommige handelingen aan dieren zijn mensonwaardig en daarom immoreel.

2. Dieren hebben morele waarde als voelende wezens

  • Status van het dier: Dieren tellen moreel gezien mee, omdat zij voelende wezens zijn (sentient beings). Ze kunnen, net als mensen, pijn en plezier ervaren. Daarmee hebben ze een belang om ongerief te vermijden.
  • Verplichtingen voor de mens: De mens moet rekening houden met de belangen van dieren, omdat ze kunnen voelen. Vanuit het morele principe dat gelijke belangen gelijk behandeld dienen te worden, behoort de mens dieren moreel serieus te nemen en te zorgen voor hun welzijn en gezondheid.

3. Dieren hebben intrinsieke waarde

  • Status van het dier: Dieren tellen moreel gezien mee, omdat zij intrinsiek waardevol zijn. Ze zijn omwille van zichzelf waardevol en niet alleen omdat ze voelende wezens zijn.
  • Verplichtingen voor de mens: De mens dient respect te tonen voor het individuele dier. Het dier wordt gezien als een doel in zichzelf en niet alleen als een instrument. Verder gaat het hierbij niet alleen om de gevolgen of effecten van ons handelen voor de dieren, maar ook om de handeling zelf die respectvol moet zijn. De mens dient rekening te houden met het welzijn en gezondheid van dieren, maar ook met hun integriteit en de waarde van het dierlijk leven.
    Deze visie is nauw verwant met de vorige, maar erkent dat dieren waardevol zijn omwille van zichzelf en niet alleen omdat het voelende wezens zijn.

4. Dieren hebben inherente waardigheid

  • Status van het dier: Dieren tellen moreel gezien mee, omdat zij net als mensen inherente waardigheid hebben. Die waardigheid hebben ze, omdat ze emoties, ervaringen, voorkeuren en waarderingen hebben. Dieren zijn moreel gezien even beschermwaardig als de mens.
  • Verplichtingen voor de mens: De mens dient dieren, net als mensen, te behandelen als autonome wezens, die bewust zijn van hun eigen leven. Dat betekent dat ook dieren, net als mensen, rechten moeten worden toegekend. Zo hebben ook dieren o.a. recht op leven, vrijheid, voedsel en water.


Welke morele positie kennen we in Nederland aan dieren toe?


Sinds 1981 erkennen we in Nederland de intrinsieke waarde van het dier. Dit is destijds neergeschreven in de Nota Rijksoverheid en Dierenbescherming. Hierin staat:

"Het dierenbeschermingsbeleid zal moeten worden ontwikkeld vanuit de erkenning van de intrinsieke waarde van het individuele dier. 09Het beleid zal erop gericht moeten zijn het dier zoveel mogelijk te beschermen tegen menselijke handelingen die zijn fysiek en ethologische welzijn aantasten. In de praktijk betekent dit dat mensen zich bij voortduring rekenschap zullen moeten geven van de toelaatbaarheid van hun handelingen met betrekking tot dieren. Het belang van het dier zal in een bewust afwegingsproces moeten worden ingebracht."

Sindsdien geldt dit als uitgangspunt voor het overheidsbeleid. Intrinsieke waarde houdt dus in dat de waarde van het dier nooit samenvalt met de gebruikswaarde, maar tegelijk ontkent het de gebruikswaarde van dieren niet. De erkenning van de intrinsieke waarde staat het houden van dieren niet principieel in de weg.

In de Wet dieren is de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier nu ook juridisch vastgelegd. In artikel 1.3 staat hierover het volgende:

Artikel 1.3 Wet dieren

  1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
  2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.
  3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:
    a. dorst, honger en onjuiste voeding;
    b. fysiek en fysiologisch ongerief;
    c. pijn, verwonding en ziektes;
    d. angst en chronische stress;
    e. beperking van hun natuurlijk gedrag;
    voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd.

Dieren zijn geen zaken

Met het van kracht worden van de Wet dieren wordt ook erkend dat dieren geen zaken zijn. Voorheen werd er geen onderscheid gemaakt tussen dieren en zaken. Dieren werden bestempeld als zaken, omdat het Burgerlijk Wetboek alleen de begrippen 'goederen' (alle zaken en vermogensrechten) en 'zaken' (voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten) kent. Dieren worden niet apart onderscheiden. Dieren gelden binnen de systematiek van het Burgerlijk Wetboek als roerende zaken, omdat zij in bezit kunnen worden genomen en mensen over dieren het wettelijk recht van eigendom kunnen uitoefenen. Deze juridische kwalificatie van dieren als – niet meer dan – zaken, sluit niet aan op het natuurlijk rechtsgevoel van mensen. Dieren zijn immers levende wezens en kunnen niet zomaar gelijk worden gesteld met andere (niet levende) zaken. Daarom is in het Burgerlijk Wetboek (Boek 3, artikel 2a) vanaf 1 januari 2013 bepaald dat dieren geen zaken zijn. Echter, in juridische zin worden zij wel gezien als zaken. Daarom zijn bepalingen over zaken wel op dieren van toepassing. Wie rechtshandelingen verricht aangaande dieren, dieren bezit of in eigendom heeft, is evenwel gehouden zich er rekenschap van te geven dat hij met een dier van doen heeft.

Grondhoudingen jegens dieren


De morele positie die mensen aan dieren geven, hangt grotendeels samen met de grondhouding die mensen hebben jegens dieren. De Nederlandse milieufilosoof Wim Zweers heeft in zijn boek 'Participeren aan de natuur' (1995) zes grondhoudingen ten opzichte van de natuur, inclusief de dieren, geïdentificeerd. Iemand zal niet precies aan één grondhouding voldoen, omdat concreet gedrag doorgaans een mengeling van aan elkaar grenzende grondhoudingen vertoont. Het zijn typeringen.

  • De eerste drie grondhoudingen sluiten aan bij een antropocentrisch wereldbeeld waarin de mens het middelpunt van het bestaan is en het belangrijkste morele wezen. De waarde van al het andere - flora, fauna, levenloze materie - wordt afgemeten aan het nut dat het voor de mens heeft of de verhouding waarin het tot de mens staat.
  • De laatste drie grondhoudingen sluiten meer aan bij een ecocentrisch wereldbeeld waarin het ecosysteem centraal staat. Al het leven en ook de niet-levende natuur, zoals rivieren en landschappen, moeten als waardevol in zichzelf worden beschouwd. Mensen zijn een onderdeel van het geheel en hebben niet meer waarde.

Despoot

De despoot is de absolute heerser die het niet-menselijke aan zich onderwerpt en ermee kan doen wat hij wil. De natuur bestaat alleen voor de mens. Beperkingen van morele aard bestaan niet, want planten, dieren en ecosystemen zijn in moreel opzicht niet relevant. Alles draait om de mens en die kan de natuur met behulp van wetenschap en techniek tot eigen voordeel omvormen.

Verlicht heerser

De verlicht heerser regeert ook over de natuur, maar dan wel in het besef dat de mens van die natuur afhankelijk is, dat natuurlijke hulpbronnen eindig zijn en dat ecosystemen een beperkte draagkracht hebben. Tegelijk bestaat het besef dat we met onze technologie niet de hele wereld naar onze hand kunnen zetten. Maar waar dat wel mogelijk is, moeten we dat vooral niet laten. De natuur is niet af. De mens kan er iets beters van maken. De mens heeft dan ook het recht met zijn innoverende technologie in te grijpen in natuurlijke processen. Op die manier kan hij de natuur 'verrijken' en beter bruikbaar maken voor zijn eigen doeleinden. De grotere voorzichtigheid in de omgang met de natuur is ingegeven door eigenbelang.

Rentmeester

De rentmeester mag gebruik maken van de opbrengst van het land dat hij beheert, maar hij mag niet interen op het bezit dat niet van hem is. Een rentmeester is aan de eigenaar verantwoording verschuldigd over het beheer van de natuurlijke hulpbronnen. Dit kan een hogere macht zijn, bijvoorbeeld God voor een goed beheer van diens schepping of in een niet religieuze variant de (toekomstige) mensheid.

Partner

De partner is van mening dat de natuur net als de mens een eigen intrinsieke waarde heeft. De partner beschouwt de natuur niet langer enkel als een louter materieel gegeven met uitsluitend instrumentele waarde. Mens en natuur zijn partners van elkaar. De 'behoeftes' van de natuur zijn gelijkwaardig aan die van de mens. Het denken en handelen krijgt naast mensgerichte ook natuurgerichte doelstellingen. Daarbij past een natuurbeleid met een maximalisering van natuurwaarden door een minimalisering van menselijk ingrijpen. De mens zorgt voor de natuur door haar zoveel mogelijk met rust te laten en te beschermen.

Participant

De participant voegt aan de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur de ervaring van verbondenheid en verwevenheid toe. Daarmee wordt de afstand tussen mens en natuur opgeheven, zoals die nog wel bestaat bij de grondhouding van partner.  De participant beseft dat de mens deel uitmaakt van het groter geheel van de natuur. De participant legt zichzelf beperkingen op door wetenschap, technologie en moraal niet op verdere onderwerping van de natuur te richten. Deep ecology valt min of meer met deze grondhouding samen. Het niet-menselijk leven heeft hetzelfde recht als de mens om te leven en te floreren. De mens maakt deel uit van de natuur en heeft daarbinnen geen geprivilegieerde positie.

Natuurmysticus

De natuurmysticus ervaart een directe, religieuze of aan het religieuze verwante ervaring van 'eenheid met de natuur'. Er is sprake van identificatie met de natuur waarbij het subject (het ik of ego) wegvalt. De natuurmysticus ervaart in de ons omgevende werkelijkheid een verschijningsvorm van het ‘goddelijke’, waarmee hij zich wil verenigen. Het is een extreme vorm van het participatiemodel.

Filosoof en bioloog Matthijs Schouten gaat  in onderstaande aflevering van de NTR Academie o.a. in op bovenstaande grondhoudingen.


Lees verder over:




Hoe heeft de morele positie van het dier zich in de loop van de eeuwen ontwikkeld?

Wat zijn dierenrechten?
Wat wordt daarmee bedoeld?

World Animal Protection (WAP) zet zich in voor de Universele Verklaring voor dierenwelzijn.