"Ik ben leven dat leven wil, te midden van leven dat leven wil." - Albert Schweitzer (1875 - 1965)

Dieren in religies

Vanuit de verschillende religies wordt op een verschillende manier tegen dieren aangekeken. In de ene religie wordt meer rekening gehouden met de belangen van dieren dan in de andere.

Hieronder komt het Boeddhisme, het Christendom, het Hindoeïsme, de Islam en het Jodendom ter sprake.

Boeddhisme

 

Dieren worden in het Boeddhisme gezien als levende wezens. Ze hebben intelligente vermogens, maar anders dan mensen. Dieren zijn net als mensen in staat tot lijden. Dieren bezitten, net als mensen, een Boeddha natuur, en hebben ook de mogelijkheid om verlicht te worden. Vanuit het geloof van hergeboorte kunnen mensen worden herboren als dieren en dieren als mensen. Volgens Boeddha zijn dieren onze voormalige naasten, zussen, broers, moeders, vaders en kinderen. Daarom vereist het Boeddhisme dat dieren goed en vriendelijk worden behandeld en is het verboden om dieren schade of pijn toe te brengen, te doden of te eten. Slecht gedrag zal ook moeten worden betaald in het volgende leven dus wrede handelingen jegens dieren moeten worden vermeden.

  

In het Boeddhisme bestaat geen eensgezindheid over de noodzaak om vegetarisch te leven. Dit heeft te maken met de verschillende Boeddhistische stromingen dieverschillende interpretaties hebben van wat Boeddha heeft onderwezen. De meeste Mahayana-beoefenaars eten geen vlees, omdat zij de nadruk leggen op onthechting en mededogen voor andere voelende wezens. Veel Mahayana boeddhisten in Tibet eten wel vlees, omdat er in Tibet niet veel groenten beschikbaar zijn doordat het zo hoog gelegen is waardoor de grond vaak niet geschikt is voor akkerbouw. De Theravada-beoefenaars eten wel vlees. Volgens hen is het eten van vlees een ethisch neutrale actie, die geen slecht karma veroorzaakt. De belangrijkste factor bij karma is intentie, en bij het eten van vlees is er geen intentie om een levend dier te doden. Het werkelijk intentioneel doden van een levend wezen is echter wél een slechte daad, die nare gevolgen brengt in het heden en de toekomst.
Ook de meeste Vajrayana-beoefenaars eten wel vlees. Het tantrische pad van Vajrayana kent vier klassen. In de lagere klassen ligt de nadruk op de uiterlijke schoonheid en zuiverheid als techniek om een innerlijke zuiverheid van geest op te wekken. Omdat vlees wordt beschouwd als onzuiver, eten deze beoefenaars geen vlees. Aan de andere kant mediteert een gekwalificeerd beoefenaar van de Hoogste Yoga Tantra op basis van onthechting en mededogen op het subtiele zenuwstelsel en hiervoor moet zijn eigen lichaam heel sterk zijn. Aan zo iemand wordt vlees aangeraden. Deze klasse van tantra benadrukt de transformatie van gewone objecten door meditatie op zelfloosheid. Krachtens zijn diepe meditatie zal een dergelijk beoefenaar niet graag vlees eten voor zijn eigen genoegen

Christendom

 

Het dier is in het Christendom een ‘collegaschepsel’ van de mens. Het kan echter niet zoals de mens in verantwoordelijkheid kiezen en handelen. Dieren zijn namelijk niet zoals de mens naar Gods beeld geschapen. Het dier is van alle schepselen wel het meest aan de mens verwant, meer dan de planten. Er is een duidelijke hiërarchie, de mens is geschapen naar het beeld van God. In het Christendom staat God als schepper boven de mens. De mens staat als beelddrager van God boven het dier.
Uit de Bijbel kan worden afgeleid dat de mens als vegetariër is geschapen (Gen. 1:29-30), de dieren worden uitdrukkelijk niet genoemd als bron van voedsel voor de mens. De mensen mogen leven van de opbrengsten van bomen, planten en struiken.

Het begrip rentmeesterschap wordt gebruikt voor het omgaan met het door God geschapene. Uitgangspunt is dat God de eigenaar van alles is (Lev. 25:23; Ps. 24:1, 50:10) en dat hij zijn schepping aan de mens in beheer heeft toevertrouwd (Gen. 1:28 en Ps. 115:16). In Genesis 1:28 staat: 'vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!'.
Als rentmeester heeft de mens de plicht om te werken met het materiaal dat God hem heeft toevertrouwd. Het gebruik daarvan moet overeenkomstig Gods wil zijn, in dienst van God en tot welzijn van de naasten, in het bijzonder ook de behoeftigen, zowel in de naaste omgeving als wereldwijd. De mens moet van zijn beheer eens rekenschap afleggen (Mattheus 25:19).

Pas na de zondeval gaat de mens dieren eten. Adam en Eva schamen zich na de zondeval voor elkaar en voor God. Ze krijgen van God rokken van vellen om hun lichamen te bedekken (Gen. 3:21). Daarmee wordt impliciet verwezen naar het doden van een of meer dieren door God zelf. Nadat Adam en Eva het paradijs hebben verlaten, wordt er in de bijbel gesproken van offers. Wat er ontvangen is van God, wordt teruggegeven aan God als een teken dat alles van hem is. Daarbij ging het niet om de offers op zichzelf, maar om een zichtbaar teken van innerlijke overgave en toewijding aan het hart aan God. Het vloeien van het bloed laat zien dat de dood het loon van de zonde is. Het dier ontvangt de doodstraf die de zondaar verdiend had. De dieren zijn door God aangewezen om geofferd te worden. Na de dood van Christus worden er door christenen geen dieren meer gebruikt voor de offerdienst.
In Genesis 9 is te lezen dat na de zondvloed God Noach zegende en een verbond met hem oprichtte. Daarin klinkt ook de verandering van voedsel. Al het gedierte van de aarde, het gevogelte van de hemel en alle vissen der zee zijn door God in Noachs hand overgegeven. Alles wat zich beweegt mag tot voedsel zijn, naast de al bij de schepping genoemde planten, groenten en vruchten. Er is wel één beperking: er mag geen vlees met bloed gegeten worden.
In het Christendom wordt erkend dat dieren naast een gebruiksfunctie ook een eigen intrinsieke waarde hebben. Dieren zijn geschapen door God en hebben een eigen plaats in de schepping. Het dier is een levend wezen en zelfstandig functionerend organisme. Een andere overweging voor de intrinsieke waarde is het vermogen van dieren om intrinsieke (zowel positieve als negatieve) ervaringen te ondergaan. Concreet betekent dit dat elk dier recht heeft op een eigen plaats, op een eigen leefruimte. De voorschriften in de bijbel laten zien hoe we met dieren behoren om te gaan. Bij de dorsende os bijvoorbeeld blijkt dat het dier tijdens het werk ruimte moet krijgen om zijn natuurlijke aandrang te volgen. Er moet ruimte zijn om te leven. De opdracht tot rust uit Exodus 23 geeft aan dat ook het dier daarbij hoort. Het dier mag ook op adem komen. In het verbod om met de jongen of eieren ook de moedervogel weg te halen en op te eten, ligt een waarschuwing opgesloten om de aanwezige rijkdom en variëteit van de schepping niet te verstoren. Er spreekt een bepaalde lotsverbondenheid uit: mens en dier maken beiden deel uit van het geheel van de schepping. Verstoringen in die gegevenheid keren als een boemerang terug naar de mens zelf en zijn op lange termijn niet goed voor mens, dier en schepping.

Hindoeïsme

 

Het Hindoeïsme is gevormd uit diverse tradities en heeft niet één bepaalde stichter. Het kent diverse stromingen met hun eigen heiligen, leraren en goden. De meeste hindoes geloven in God, die Brahman heet. Ze aanbidden veel verschillende goden die allemaal op hun eigen manier iets laten zien van de éne God Brahman. De belangrijkste drie gedaantes zijn: Brahma, Vishnu en Shiva. Brahma is de schepper van het heelal. Hij heeft 4 hoofden die alle vier een windrichting opkijken. Hij rijdt op zwanen of zit op een heilige lotusbloem. Vishnu is met zijn vier armen de beschermer van de wereld. Hij wordt vaak afgebeeld op een adelaar of slapend op een reuzenslang. Shiva is de vernietiger van het kwaad in het heelal. Hij gaat over iemands dood en bepaalt hoe die weer terug op aarde komt. Shiva rijdt op een grote stier en wordt vaak afgebeeld met een tijgervel en een slang om zijn nek.

Hindoes hebben respect voor alles wat leeft. Alle levensvomen zijn manifestaties van God en hebben een ziel. Dieren zijn geen inferieure wezens, maar manifesties van God op een lagere schaal van evolutie vergeleken met mensen. De meeste hindoestanen geloven dat niet menselijke dieren onder de mens staan. Ze bevatten een goddelijke vonk, kunnen menselijk worden en verlossing bereiken.

Er is niet één duidelijke visie vanuit het Hindoeisme over de juiste manier van omgaan met dieren. Veel hindoes zijn vegetariër, omdat ze geen dieren willen doden om te eten, maar ook omdat ze hun geest 'zuiver' (sattvisch) willen houden

Veel dieren worden als heilig gezien. De bekendste daarvan is de koe. Een groot aantal dieren is heilig vanwege de functie die ze vervullen als vehikel voor een god. Elke hindoegod wordt geassocieerd met een dier dat zijn rijtuig is.

  • Agni (vuurgod) rijdt op een ram of bok
  • Durga (godin voor deugdzaamheid en rechtvaardigheid) rijdt op een leeuw of op een tijger
  • Ganesha (god voor wijsheid en succes) berijdt zijn rat
  • Krishna (in veel hindoeïstische stromingen beschouwd als een incarnatie van Vishnu) rijdt op een koe
  • Saraswati (godin voor wetenschap en kunst) wordt geassocieerd met een zwaan of pauw
  • Vayu (god van het leven) rijdt op een antilope

Toch betekent dit niet dat al deze dieren in de dagelijkse praktijk vereerd worden. Velen lijken een semi-heilig bestaan te leiden, waarin van verering nauwelijks sprake is. De ram noch de antilope staan bekend als erg heilig. En zelfs de koe is niet helemaal heilig. In Nepal wordt eenmaal in de vijf jaar het Gadhimai-festival gehouden in de Gadhimai-tempel van Bariyarpur dat een maand duurt. Hier komen ongeveer vijf miljoen hindoes op af en worden heel veel dieren ter ere van de godin Gadhimai geslacht. Geschat wordt dat tijdens het festival in 2009 meer dan 500.000 dieren zijn geslacht waaronder waterbuffels, varkens, geiten, kippen, duiven en eenden. Dit gaat gepaard met veel dierenleed, omdat dieren niet vooraf worden bedwelmd. Tegen dit festival is dan ook veel bezwaar van diverse dierenorganisaties. Klik hier voor een korte film. Andere festivals waarbij dieren worden geofferd zijn Dashain (Nepal) en het Chhattar festival (India), maar ook in Sri Lanka, Indonesië en Vietnam vinden nog dierenoffers plaats. Voor meer info, klik hier voor meer informatie op de website van Occupy for Animals.

Islam

 

Dieren worden binnen de Islam gezien als gelovigen, als moslims. Ze zijn geschapen door God en hebben eigen belangen en een waarde die los staat van hun eventuele waarde voor de mens. De aarde is niet slechts geschapen voor de mens, maar voor alle levende wezens (Koran 5:10). Dieren hebben recht op hun deel van natuurlijke hulpbronnen als voedsel en water (Koran 80:24-32, 25: 48-49, 32: 27, 79:31-33). Dieren wordt een ziel toegedacht, al is deze ziel niet zonder meer vergelijkbaar met de menselijk ziel. Zo hebben volgens de meeste moslims dieren geen eeuwige ziel en vergaan ze na de dood tot stof, daar waar de ziel van de mens ook na de dood blijft voortleven, hetzij in de hemel, hetzij in de hel.

Mensen onderscheiden zich van het dier doordat ze bewust kunnen handelen. Soms wordt ook als onderscheidende factor genoemd het feit dat de mensen taal kennen. De mens staat in die zin boven het dier. Het rentmeesterschap van de mens voor de schepping en voor de dieren is een terugkerend thema in de Koran.

Volgens de geschriften van de Islam is het verboden:

  • dieren schade toe te brengen
  • dieren pijn te berokkenen
  • dieren overmatig te belasten
  • op dieren te jagen voor de sport
  • dieren met elkaar te laten vechten
  • dieren tijdens de paartijd niet de mogelijkheid te geven om te paren
  • moederdier en jong te scheiden
  • dieren op te sluiten zonder voedsel
  • op dieren te experimenteren en
  • hen emotionele schade toe te brengen

Voor een goede behandeling van vee worden ook meer concrete voorschriften gegeven. De dieren moeten beschikken over een rustplaats en over een drinkplaats. De islam keurt het doden van dieren omwille van hun vlees niet af. Vlees speelt in veel moslimsamenlevingen een belangrijke rol. Alleen als men honger heeft, is het gerechtvaardigd een dier te slachten en dan mag de huid wel worden gebruikt. In de koran wordt vlees als één van de hemelse plezieren gepresenteerd. Omdat vlees duur is en gezien wordt als een hemels plezier, wordt het vaak weggegeven in het kader van liefdadigheid, bijvoorbeeld tijdens het Offerfeest.

In de islamitische traditie is het de gewoonte om dieren op rituele wijze te slachten. Daarbij wordt bij het dier zonder verdoving de hals doorgesneden. Deze methode wordt in deze traditie als een vrij pijnloze manier van doden gezien. Dit is in overeenstemming met een uitspraak van de profeet Mohammed: “Als u genoodzaakt bent te doden doe het dan zonder pijniging”. Over de vraag of het slachten zonder verdoving pijnlozer is, zijn de meningen zowel binnen als buiten de islamitische wereld verdeeld. Volgens wetenschappers van de Wageningen Universiteit en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) is het doden met verdoving diervriendelijker. Ook het psychische welzijn van dieren tijdens de slacht moet worden gewaarborgd. Zo mag men een dier niet laten wachten voordat het gedood wordt, mag het niet vastgebonden worden, mag het de voorbereidingen die voor de slacht getroffen worden niet zien en mag het dier niet in het bijzijn van andere dieren worden gedood. Dit om de gevoelens van de andere dieren niet te kwetsen. Tenslotte moet worden gewacht tot het dier volledig dood is voordat men in het vlees mag snijden. Bij een rituele slacht vindt vaak geen verdoving plaats. De reden hiervoor is dat een verdoving in sommige gevallen onomkeerbaar is, waardoor het dier niet door de slacht maar door de verdoving komt te overlijden. Het eten van dieren die al dood zijn voor de slacht wordt gezien als onrein (haram). In sommige islamitische slachterijen worden dieren echter wel bedwelmd voor ze worden geslacht. Het dier is dan verdoofd maar nog wel in staat om, mocht het niet geslacht worden, na de verdoving weer bij te komen. Het op de juiste manier verdoven zou het ritueel slachten dus niet in gevaar brengen. Meer informatie over ritueel slachten is te lezen op de pagina over Dierenwelzijn.

Het islamitische geloof geeft moslims de strikte opdracht om alleen voedsel te eten dat halal (rein) is. Dat geldt in het bijzonder voor vlees. Er bestaat geen definitie voor halal, vandaar dat verschillende stromingen en gemeenschappen uiteenlopende ideeën kunnen hebben over wat halal (rein) en haram (onrein) is. De lijst van onreine producten die de koran noemt in sūra 5, vers 3 beperkt zich niet tot varkensvlees of niet ritueel geslachte dieren, maar omvat ook vlees van roofdieren (carnivoren), bloed en kadavers. Dit vlees is niet halal, maar haram en dus verboden voor moslims. Voor halal wordt in de praktijk alleen de eis van rituele slacht toegepast.

Jodendom

 

 

Volgens het Jodendom staat de mens boven het dier. In de Thora wordt de mensheid heerschappij gegeven over de dieren (Genesis 1:26-28), maar niet ongelimiteerd. De mens mag dieren gebruiken als er een echte legitieme behoefte is en moet voorkomen dat dieren lijden. Wie wreed is jegens dieren geldt niet als 'een rechtvaardige'. Daarom zegt Spr. 12:10 dat "de rechtvaardige weet, wat toekomt aan zijn vee". De op deze algemene regel gebaseerde voorschriften en verboden zijn te vinden in de Halacha. De Halacha is een verzameling wetten en gedragsregels voor alle terreinen van het leven, waarin de wetten en voorschriften van de Thora zijn verwerkt. Orthodoxe joden zijn aan de Halacha even streng gebonden als aan de Thora.

Halachische voorschriften, die regelrecht uit de Thora, dus de eerste vijf bijbelboeken, komen, zijn:

  • Exodus 20: 8-10: de houder van vee wordt geboden om ook het vee geen werk te laten doen op de sabbat
  • Exodus 23: 4-5: een verdwaald dier moet je naar zijn eigenaar terugbrengen en je moet helpen een overbelaste ezel af te laden (zelfs als de eigenaar je vijand is)
  • Deuteronomium 25: 4: de boer mag zijn rund, dat voor hem het koren dorst, niet muilbanden: het dier moet onder het werken even vrij kunnen eten als een mens
  • Deuteronomium 22: 6-7: je mag geen nest uithalen in bijzijn van de moedervogel
  • Leviticus 22: 26-27: een kalf, lam of geitje mag niet vóór de 8e dag bij de moeder worden weggehaald en mag ook niet tegelijk met de moeder op één dag geslacht worden.

Andere regels zijn:

  • De (plezier-)jacht geldt als in strijd met de algemene regel ‘geen enkel levend schepsel pijn doen lijden’. Omgang met jagers is verboden op grond van Psalm 1:1.
  • Het is volgens halachische voorschriften sinds 1992 verboden om bont te fabriceren en te dragen.
  • De Talmoed (traktaat Avoda Zara 18b) verbiedt naast gladiatorengevechten ook stieren-, honden- en hanengevechten.
  • Het houden van huisdieren is toegestaan, maar de dieren moet wel eerst eten worden gegeven voordat de mensen aan tafel gaan.
  • Het is een overtreding van het verbod van wreedheden tegen dieren, wanneer je jouw huisdier lichamelijk veranderd zonder een gegronde reden. Voorbeelden hiervan zijn het ontklauwen van katten, het couperen van staarten en van oren. Het is ook niet toegestaan om mannelijke huisdieren te laten steriliseren, maar de castratie van vrouwelijke huisdieren is wel toegestaan. Het bezit van een huisdier dat eerder al is gecastreerd, is niet verboden. 

Het doden van dieren voor menselijke consumptie is toegestaan. Het geldt als zodanig niet als overtreding van de 'algemene regel', mits het pijnloos gebeurt. Verondersteld wordt dat het doden via het toebrengen van een halssnede (kosjer slachten) het minst pijnloos is. De halsslagader, de luchtpijp en het centraal zenuwstelsel moeten met één snede van een gaaf en vlijmscherp mes door een daartoe opgeleide professionele slachter worden doorgesneden. Het dier wordt daarbij echter niet vooraf verdoofd. Als iets gebeurt dat pijn kan veroorzaken (zoals een nick in het slachten mes of een vertraging in het snijden), kan het vlees niet worden geconsumeerd. De Thora schrijft verder voor dat alleen levende en gezonde dieren mogen worden geslacht. Ze mogen op het moment van slacht geen leed ondervinden. Net als bij de Islamitisch traditie om dieren onverdoofd ritueel te slachten, is er ook over de joodse traditie van onverdoofd ritueel slachten discussie over de vraag of het slachten zonder verdoving pijnlozer is. Meer informatie over ritueel slachten is te lezen op de pagina over Dierenwelzijn.


Geloven dieren in God?

Midas Dekkers maakte er in 1995 de volgende uitzending over 'Dieren en god'

 

Bronnen / Meer weten?

Boeken

  • Anderson, M.D., Animal carvings in British churches, 2011
  • Baldick, J., Animal and Shaman: ancient religions of central Asia, 2012                                      
  • Graafland, J., En God schiep. Over dieren en rentmeesterschap, 2015
  • Grant,R.M., Early Christians and animals, 1999
  • Iḵwān al-Ṣafāʾ, De zuivere broeders van Basra, De zaak van de dieren tegen de mensen, 2010
  • Jansen, E.R., De Beeldentaal van het Hindoeïsme, 1993
  • Linzey, A., Animal Theology, 1995
  • Masri, A.B.A., Animal welfare in islam, 2007
  • Pember, G.M., De bijbel over dieren en dierenwelzijn, 2015
  • Petropoulou, M.Z.,Animal Sacrifice in Ancient Greek Religion, Judaism, and Christianity, 100 Bc to Ad 200, 2012
  • Schenderling, J., Mens en dier in theologisch perspectief, 1999
  • Schouten, M., De spiegel van de natuur: het natuurbeeld in cultuurhistorisch perspectief, 2005
  • Tlili, S., Animals in the Qur'an, 2012 (lezing op YouTube)
  • Waldau, P., The specter of speciesism. Buddhist and Christian Views of Animals,2001
  • Waldau, P., A Communion of Subjects: Animals in Religion, Science, and Ethics, 2009

Rapporten

  • Stichting Recht en dier, Vlees eten in de Islamitische traditie, 2010
  • Wetenschappelijk Instituut voor de SGP, Houden van dieren. Samen werken aan een verantwoorde veehouderij, 2012

Websites

Lezingen/filmpjes